Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

komen, dat zij des oordeels schuldig zijn voor God. Of, zooals hij teiotond herhaalt: „ Uit de werken der wet zal niemand gerechtvaardigd worden voor Hem, want door de wet is de kennis, niet van de genade, maar van de zonde".

God gaf alzoo een openbaring van Zijn heiligen wil, opdat Israël zou erkennen, dat de geheele wereld des oordeels schuldig is voor Hem. Maar Israël in zijn geheel heeft dat niet begrepen. Sommige profeten mogen zeggen, dat slachtoffers en brandoffers Gode niet behagen. Bij Jeremia en Amos vernemen wij, dat God een afkeer heeft van de offers, die met onreine handen en harten gebracht worden. Maar de heeischende meening heeft altijd anders geoordeeld in Israël. Vooral na de ballingschap in Babel, werden de dille en de komijn zorgvuldig vertiend. Wie de wet niet hield, stipt en nauwkeurig, behoorde niet tot Jehovah's volk! Pharizeën en Schriftgeleerden zochten den inhoud en de bedoeling van hare geboden nauwkeurig te bepalen. Ezra onderwees na de ballingschap de wet des Heeren, en de uitkomst was niet een kennis der zonde, maar een vasthouden aan voorschiiften en regels!... Men mag dus zeggen, dat de wet haar doel niet bereikt heeft bij de massa des volks. Toch was er altijd een kern, die de zaligheid niet wachtte op eigen gehoorzaamheid, maar uitzag naar Hem, die Zijn volk de gerechtigheid zou aanbrengen. Deze waren de echte kinderen van Israël, de vromen des Ouden Verbonds, het zaad der vrouw, het volk des Heeren! Zij waren die armen van geest, die treurenden, die zachten van gemoed. In hen bereikte de wet Gods haar oogmerk. Zij kwamen tot de kennis der zonde. En na zijn bekeering mocht Paulus zeggen van hen en van zich zeiven: „De wet is onze tuchtmeester, onze opvoeder, geweest tot Christus'".

„Is dan de wet tegen de beloften Gods?" vraagt de Apostel. „ Worden de beloften te niet gedaan door de wet?" Neen, want God gaf Zijne wet, opdat de menschheid zou leeren verlangen naar Christus, in Wien het heil besloten was. Omdat God het heil beloofd had, ging Hij den weg; dien

Sluiten