Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Jood een ergenis. Maar hun, die hun eigen toestand voor God leeren kennen, „is Hij de kracht en de wijsheid Gods". Dezen zijn de vergadering der kinderen Gods, de gemeenschap der heiligen, die door den Zone Gods uit. het gansche menschelijk geslacht worden vergaderd tot het eeuwige leven. Zij weten dat zij voor Gods aangezicht niet kunnen bestaan, en gelooven in den Heere Jezus Christus.

Diezelfde volgorde, die in de menschheid plaats had, moet zich bij den enkelen mensch herhalen. De menschheid kon den Messias eerst ontvangen, toen in haar een verlangen naar Hem was geboren. Zoo kan Hij ook nu nog in geen borst Zijn woning maken, wanneer niet eerst door schuldbesef en oprecht berouw Hem een weg is gebaand. Niet onvoorbereid trad de Christus op in de wereld, maar eerst, toen de kennis der zonde was gewekt in enkelen, en dooiden Dooper de eisch van een volkomene gerechtigheid was gepredikt. Toen waren de oogen van een Simeon geopend, om de zaligheid Gods te aanschouwen. Toen kon een profetes Anna de vervulling van haar verwachting beleven. Toen was de volheid des tijds aangebroken voor allen „die de verlossing verwachtten in Jeruzalem".

Niet anders is het nog met eiken mensch. De kinderen der wereld verachten den Christus. De vrome farizeën onder ons ergeren zich aan de prediking van de zaligheid uit genade. Zeg het maar eens, dat de mensch verloren moet gaan, indien God de hand niet aan hem slaat, dat de mensch niets aan zijne zaligheid kan toedoen, en alleen door eene verbeurde gunst Gods nog kan zalig worden — en gij hoort dadelijk, dat men er tegen opkomt. Dat is een dwaze en ergerlijke prediking; niet wanneer het zoo in het algemeen onder zachte woorden wordt voorgesteld, maar wel, wanneer het kind bij zijn naam wordt genoemd. Ach, geen dankgebed voor Gods onuitsprekelijke gave kan uit hunne ziel komen. Zij blijven dezelfden, die zij zijn van nature. Zij leven voort in hun valsche rust. Zij bouwen hun eeuwig huis op een fundament van hout en hooi.

Sluiten