Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eeuwigheid", aan het historisch feit van Zijn lijden zoo weinig te hechten, dat men bereid is, dit los te laten ter wille van de tegenstanders des Christendoms?

„Terug te gaan tot Gods eeuwigen raad" is uitnemend, als daarmede bedoeld wordt, in het feit de werking, de onthulling te zien van den eeuwigen raad en wil van God. Wij willen dót öök. Maar d&t is het bij de Hartog niet. Van het geopenbaarde wil hij „teruggaan tot" het verborgene; in plaats van te hooren naar hetgeen God zegt in Zijn Woord, beeldt hij zich in, te mogen en te kunnen lezen in het verzegeld boek van Gods verborgen raad. Dit nieuwe in zijn pogen is juist het verkeerde. In naam van God en Zijn raad maakt hij het feit illusoir.

De Zaligmaker zeide, dat de Christus moest lijden en alzoo in Zijne heerlijkheid ingaan. Daarmee is door Hem uitgesproken de absolute noodzakelijkheid van het feit.

De Hartog echter verklaart: Jezus Christus is heden en tot in alle eeuwigheid dezelfde: dus is er niets verloren, al kan de wetenschap mij bewijzen, dat het feit van Jezus' leven en lijden onhoudbaar is. Daarmee loochent hij de absolute noodzakelijkheid van het feit. Een „volle verzekerdheid der eeuwigheid", die zonder dat feit „de eeuwige waarheid onaantastbaar" acht, is een andere dan van Hem, die de waarheid zelve is.

Naar Gods eeuwigen raad moest het Christendom eene geschiedenis zijn, in feiten wortelend en feiten voortbrengend.

„De feiten zijn het beenderenstel van het Christendom ; en bepaaldelijk zijn het kruis en de opstanding van Christus de twee pijlers, waarop het Christelijk geloof

Sluiten