Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zorg te besteden. Geef u eens de moeite, de genoemde teksten uit Jeremia op te zoeken, en b.v. de Kantteekening er bij na te lezen, en ge zult verbaasd staan, hoe hij in het verband zijner redeneering deze teksten te pas kan brengen. Hoe zonderling, ons, die aan de Schrift zich houden, bij Babels torenbouwers te vergelijken, alsof het ons te doen ware, „om de eenheid der menschenkinderen vast te houden buiten God zelf, die van den Hemel nederdaalt".

Telkens opnieuw blijkt het u, dat hij, argumenteerende met uitspraken der Schrift, afgaat op den klank der woorden en tot de beteekenis niet zoekt door te dringen. En dan zoudt ge geneigd zijn, aan oppervlakkigheid en lichtvaardigheid te denken. Maar aanstonds verwerpt ge die gedachte, want iemand die schrijft met zulk een religieuse warmte en van zoo groote wetenschappelijke vaardigheid blijk geeft, kan niet anders dan in dezen wars zijn van alle oppervlakkigheid! Ge moet de oorzaak van zijn bevreemding-wekkend Schriftgebruik in iets anders zoeken. De Hartog ontleent zijn beschouwingen niet aan, maar komt met een eigen systeem tot de Schrift. Hij meent, zijne denkbeelden in de Schrift te moeten terugvinden, schuift daarom ter zijde wat daarmêe niet is overeen te brengen, of exegetiseert het zóó, dat het in zijn gedachten-raam past. Ziedaar het droef gevolg van het zich stellen boven de Schrift; van het uit de Schrift uitlichten eener „eeuwigheidswaarheid" ten koste der gezonde exegese.l)

x) In Nieuwe Banen, Nov. 1908, blz. 273, zegt hij b.v. van Joh. 1:14. „En het Woord is vleesch geworden, en heeft onder ons gewoond?':

Sluiten