Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

openbaart vader, wie hij voor zijn kind is en wil zijn, en wat hij van zijn kind vraagt in diens eigen welbegrepen belang.

Niet anders hier.

11 Wij gelooven, dat deze Heilige Schriftuur den wille Gods volkomenlijk vervat, en dat al hetgene de mensch schuldig is te gelooven om zalig te worden, daarin genoegzaam geleerd wordt. Want overmits de geheele wijze des dienstes, dien God van ons eischt, aldaar in het lange beschreven is, zoo is het den menschen, al waren het zelfs apostelen, niet geoorloofd anders te leeren dan ons nu geleerd is door de Heilige Schrifturen ; ja, al ware het ook een engel uit den hemel, gelijk de apostel Paulus zegt. Want dewijl het verboden is, den Woorde Gods iets toe of iets af te doen, zoo blijkt daaruit wel, dat de leere deszelven zeer volmaakt en in alle maniere volkomen is". Geref. Belijdenis, Art. VII.

„Met al wat in ons is komen we er tegen op, dat men het Woord scheidt van den Spreker, het boek Zijner openbaring van de openbaring zelve, en met beroep op de sprake van dezen Spreker in het hart, de sprake in Zijn Woord gaat onderwerpen aan critiek". (Referaat, blz. 10)

Op dezelfde lijn als deze eerste ligt de tweede valsche tegenstelling.

Na gezegd te hebben, dat omtrent de twee naturen van onzen Zaligmaker „in 451 op het concilie te Chalcedon werd gestameld: ongedeeld en ongescheiden, onvermengd en onveranderd" roept de Hartog uit:

„En wat stamelen daaromtrent de Theologen, de God-

Sluiten