Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Dit alles (n.1. aangaande de Openbaring der Drieëenheid) weten wij, zoo uit de getuigenissen (!) der H. Schrifture, als ook uit hunne werkingen en voornamelijk (!) uit degene, die wij in ons gevoelen". (Art. XI)" (blz. 20)

Ziet gij die twee uitroepteekens wel?

De Hartog meent waarlijk dat hij, door die in te voegen in de zinsnede van Art. IX., bewezen heelt, dat de Belijdenis vóór hem kiest, en tegen mij.

Het eerste uitroepteeken plaatst hij achter het woord getuigenissen. Daarmee wil hij aantoonen, dat onze Belijdenis op gelijke manier als hij van de H. Schrift als van een getuigenis spreekt.

„De H. Schrift — aldus schreef ik, Referaat, blz. 6, — is voor hem niet in oorsprong, samenstelling enz. een goddelijk boek, doch alleen een getuigenis aangaande het proces der scheppende en verlossende werking Gods, niet als boek heeft de Schrift voor hem gezag, slechts als getuigenis van de eeuwige dingen Gods, die hij aan eigen hart heeft ervaren".

Hiertegen teekende ik protest aan, omdat alzoo de H. Schrift van de haar wettig toekomende plaats wordt gedrongen en ondergeschikt gemaakt aan der geloovigen ervaring.

In zijn brochure komt de Hartog hier telkens op terug. De Schrift „getuigt" van de „eeuwige waarheid Gods"; zij „verwijst" er naar; „zij is het tweede, gelijk het testament het tweede is tegenover de levende stem van den erflater", (blz. 48)

De Schrift is „ het tweede"!

Hieruit volgt, dat de H. Schrift als zoodanig niet is het waarachtige Woord Gods, (datis„Boekverheerlijking !)

Sluiten