Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

toe, aan ons geloof de tweede. Al onze ervaringen stelt zij ondergeschikt aan die Schrift. En in steê van in de Schrift te gaan scheiden en schiften, verklaart zij, dat wij zonder eenige twijfeling gelooven al wat in dezelve begrepen is.

Wie derhalve de „rechtzinnige" is, en tegen wien de Belijdenis kiest — beslisse de lezer.

Maar nu komt het tweede uitroepteeken, geplaatst achter het woord „voornamelijk". Dat uitroepteeken moet daar bewijzen, dat onze Belijdenis boven de H. Schritt zou stellen wat wij in ons gevoelen.

Hier is de Hartog wederom het spoor bijster, 'tls hier inderdaad zijne onnauwkeurigheid, die hem doet dolen.

Wat zegt de Belijdenis?

In Art. VIII was uiteengezet „dat God een is in Wezen en nochtans in drie Personen onderscheiden".

In aansluiting hierbij luidt dan de aanhef van Art. IX:

„Dit alles weten wij, zoo uit de getuigenissen der H. Schriftuur, als ook uit hunne werkingen en voornamelijk uit degene, die wij in ons gevoelen".

Nu behoeft het toch voor wie leest wat er staat geen betoog, dat met het woord „voornamelijk" een nadere bepaling gegeven wordt van „hunne werkingen".x)

*) In de Latijnsche uitgave der Confessie is dit nog wel zoo duidelijk als in de Nederlandsche: Haec vero omnia cognoscismus, tam ex S. Scripturae testimoniis, quam ipsarum Personarum effectis; iisque potissimum, quae in nobismet ipsis percipimus. Zie H. E. V i n k e, Libri Symbolici Ecclesiae Reformatae Nederlandicae, 1846, Confessio Belgica, Ex Actis Synodi Dordracenae, bl. 221.

Sluiten