Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

III. Het was dan Laurillard's overtuiging, dat een predikant „er nog iets bij moet hebben", dat is: zijn arbeid zoo mogelijk heeft uit te breiden buiten zijn ambt in engeren zin. Had Laurillard zelf buiten zijn ambtelijk werk niet anders geleverd dan de werken, onder den titel „stichtelijke lectuur" zoo even door ons genoemd, hij zou daarmede reeds aan den door hemzelf gestelden eisch ruim hebben voldaan. Maar hij heeft zich daarenboven nog bewogen op wetenschappelijk, letterkundig en maatschappelijk gebied, en daar arbeid geleverd, der vermelding waardig.

Vooreerst op wetenschappelijk gebied. Als geleerde in den eigenlijken zin van het woord heeft Laurillard niet te boek gestaan. Men gewaagt van den spreker, den schrijver, den dichter Laurillard, maar niet van Laurillard als man van wetenschap. Daarom zullen velen verwonderd zijn te vernemen, dat op den 219ten Februari van het jaar 1856 — hij was toen nog geen zes-entwintig jaar — de offlcieuse vraag tot hem gekomen is, of hij zou wenschen in aanmerking te komen voor een leerstoel in het Oostersch aan de Hoogeschool te Utrecht. Dat feit is weinig bekend, evenals het andere feit, dat Laurillard voor het Oostersch voorliefde had en met name een goed Hebraïcus is geweest. Laurillard sprak zelden over zichzelf en liet nooit merken hoeveel hij wist. Toen door het ministerie der Amsterdamsche predikanten een latijnsche brief tot Doedes zou worden gericht, dacht niemand er aan tot het stellen van dien brief Laurillard uit te noodigen, wat zeker zou geschied zijn, had men geweten hoe goed Latinist hij was. Hij sprak Latijn als zijn moedertaal, maar heeft er nooit mede gepronkt. Dat hij gewerkt had in het Oostersch, blijkt wel uit zijne benoeming tot leeraar in het Hebreeuwsch aan het

Sluiten