Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

brachte materie leven gaf door zijn spelenden en ordenenden geest.

IV. "Van Laurillard's onderzoekingen op het gebied van taal, oudheid, volksgeloof en volksgebruik is naar zijn arbeid als letterkundige de overgang geleidelijk. Van hetgeen hij op de verschillende velden van zijn onderzoek verzamelde, heeft hij een groot gedeelte verwerkt in een reeks van opstellen, door hem op verschillende plaatsen des lands voorgedragen en ons door den druk in tal van bundels bewaard. De voornaamste dier bundels zijn: Be Roos en de Lelie, 1869; Be zeven Hoofdzonden, 1873; Vlechtwerk uit verscheiden kleuren, 1880; Schotsche Ruiten, 1887; Huisraad en Speelgoed, 1889; Boor meer dan een kijkglas in het leven gezien, 1890; Graan en Groen, 1894; Koren en Klaprozen, 1900; Laatbloeiers, 1905; Herfstsyringen, 1906; Heidebloei 1908.

Voor steeds stampvolle zalen heeft Laurillard die voordrachten gehouden, tot ongeveer zijn zestigste jaar. Toen hij ten laatste voor een enkelen winter niet minder dan honderd uitnoodigingen ontving, achtte hij den tijd om er mede te eindigen gekomen. Van toen af heeft hij zich beperkt tot een enkele spreekbeurt per jaar, te Amsterdam in de Hollandsche Maatschappij. Daar heeft schrijver dezes hem van 1891 tot 1900 gehoord. De Maatschappij was aan het tanen, en is dan ook in 1900, eene eeuw oud, opgeheven. Tien Maandagavonden op een winter trad in de zaal van het Nut een spreker voor de leden op, maar ook de beste redenaars konden er in die jaren geen publiek meer trekken. Allard Pierson heeft er voor nog geen vijftig menschen het woord gevoerd. Laurillard maakte echter een uitzondering. Trad hij op, dan was de zaal te klein. Daar hebben wij den zeventigjarige twee uren lang

Sluiten