Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kind en jongeling heeft hij elke les geleerd en goed geleerd. Nooit had hij iets „in te halen", en daardoor heeft hij zijn leven vrij gehouden van de persing, die alle „inhalen" noodwendig vergezelt. Misschien is zijn bewonderenswaardige orde hem als middel tot zelfbehoud ingegeven door eene vriendelijke natuur — verwarring zou hem hebben gesloopt.

En misschien ook is zijn groote productiviteit mogelijk gemaakt door den hem sterk kenmerkenden trek, op onverschillige punten zich naar zijn evenmensch te voegen. Wij vinden dien trek reeds in stelling XXXIV achter zijn dissertatie '): „het is de plicht van den predikant „zich verstandiglijk in onverschillige dingen naar de wen„schen van de gemeente te schikken". In zijn opstel over „den handschoen" 2) legt hij uit, waarom bij het „trouwen met den handschoen" de gevolmachtigde aan de bruid slechts de bekleede hand mag reiken. „Evenwel," — gaat hij dan voort — „toen het mij eens gebeurde, dat „ik als zulk een gevolmachtigde optrad, en toen ik, „overeenkomstig de zoo even verklaarde zinnebeeldige „opvatting, mijn handschoen aanhield, verzocht mij de „ambtenaar van den Burgerlijken Stand, dien uit te „trekken, waaruit mij bleek, dat deze heer de zaak niet „begreep. Maar ik deed 'smans zin, om, zooals de jongens „zeggen, geen maling te hebben" 3).

Toegeven, waar men toegeven mag, meende hij, is verstandig. En door die methode was er in zijn geheele optreden iets van dat tegemoetkomende, dat hij gemeen had met wijlen den oud-minister Geertsema, en waar-

1) Th. XXXIV. In rebus mediis Antistitis Sacrorum est ad vulgi plaeita se prudenter accommodare.

2) Opgenomen in „Huisraad en Speelgoed". Zie aldaar blz. 32.

3) De cursiveering is van ons.

Sluiten