Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

3. Jaagde de honing Farao hen niet na?

Ja; maar hij verdronk in de zee met geheel zijn heir.

4. Waar kwamen de Israëlieten toen?

In de woestijn, waar niets te eten noch te drinken was.

5. Waarvan moesten zij dan leven?

God gaf manna uit den hemel en water uit eene rots.

6. Wat gaf de Heere aan Israël bij den berg Sinai ? De tien geboden en vele andere wetten.

7. Welke is de hoofdinhoud der tien geboden?

God lief te hebben boven alles, en den naaste als zichzelven.

8. Waarin en waarmede moesten zij God dienen? In den Tabernakel, met offeranden.

9. Wie was de eerste hoogepriester ?

Aaron, de oudere broeder van Mozes, een Leviet.

10. Welk kwaad deden de Israëlieten in de woestijn!' Zij eerden een gouden kalf en murmureerden gedurig.

11. Welk kwaad deed hen veertig jaren in de woestijn blijven ?

Zij wantrouwden God en vreesden de Kanaanieten. VEERTIENDE LES.

INTOCHT IN KAMAAN.

1. Is Mozes ook over de Jordaan in Kanaangekomen? Neen; Mozes stierf op Nebo, en Jozua volgde hem op.

2. Hoe zijn de Israëlieten over de Jordaan gekomen ? God maakte de Jordaan wonderdadig droog.

3. Wat deden de Israëlieten nu het eerst?

Zij vierden het Pascha en vernieuwden het verbond.

4. Wien ontmoette Jozua tot zijne bemoediging? De Vorst van het heir des Heeren verscheen hem.

5. Hoe bleek het dat die Vorst met hem was? De muren van Jericho vielen van zelf om.

6. Wat deed men op Gods bevel met de booze inwoners ? Men doodde allen, behalve Rachab en hare vrienden.

Sluiten