Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vonden zij hetgeen zij bij de Luthersche kerken misten: tucht en orde en daarom ook meer waardeering voor het eigenaardige bij hen. Ook in de leerstukken was er meer verwantschap, en het verkeer der Broeders met Calvijn en andere voormannen der Gereformeerden was nauw en innig. Zoo schreef Calvijn uit Straatsburg aan den Bisschop Augusta: ,,Ik wensch uwe gemeenten van harte geluk, dat de Heer haar, behalve de zuivere leer, zoo vele andere heerlijke goederen heeft gegeven. Onder deze voorrechten mag vooral niet worden voorbijgezien dat zij zulke goede zeden, zulk eene goede orde en kerkelijke tucht hebben, die het beste, ja het eenige middel is, om het verband der gehoorzaamheid te bevestigen".

Gevaarlijk en ten slotte verderfelijk voor de oude Broederkerk werd evenwel, dat ze nu, waar reeds vele aanzienlijken van den Boheemschen adel zich bij haar gevoegd hadden, zich in de politieke bewegingen liet meesleepen. De droevige Schmalkaldische oorlog in 1547, waaraan ook leden van haar hadden deelgenomen, veroorzaakte zware vervolging. In Boheme scheen hare uitroeiing te gelukken, maar in Moravië, dat niet aan den oorlog tegen den Keizer had deelgenomen, bleef zij gespaard, ja kwam tot hoogen bloei. Uit Boheme vluchtten vele leden naar Polen en stichtten daar een nieuwen Poolschen tak der Broederkerk. Deze was het, die bemiddelend optrad tusschen de Lutheranen en Hervormden aldaar, die elkander hevig bestreden, zoodat vooral door hunne bemoeiingen in 1570 de Unie van Sendomir (consensus Sendomiriensis) tusschen deze drie kerken tot stand kwam. Had deze ook ten gevolge van Luthersche zeloten geen lang bestaan, ze was een bewijs van het karakteristieke in den aard der oude (en nieuwe) Broederkerk: het aandringen op gemeenschap tusschen allen die het Evangelie belijden naar het woord in necessariis unitas, in dubiis libertas, in omnibus caritas.

Sluiten