Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de Bruijn en Plantinus). Na een bezoek van zlnzendorf bij de Prinses van Oranje te Leeuwarden werd op haar grondgebied bij IJsselstein door den met de Broeders bevrienden koopman J. schellinger te Amsterdam een stuk land gekocht (Aug. 1736) en met de oprichting der kolonie Heerendijk een begin gemaakt. De oppositie der officieele kerk, der synode van Zuid-Holland was hevig. Het verschilpunt was vooral de leer van de reprobatie, of Christus voor alle menschen of alleen voor de uitverkorenen gestorven was, het schibboleth der Gereformeerde kerk, waarvoor, zooals een den Broeders vriendelijk gezind lid der Staten van Holland hun voorhield: „hunne voorouders hun bloed hadden vergoten, en zonder welks erkenning men in hunne religie niet kon geïncorporeerd worden" j). zlnzendorf en de Broeders protesteerden aangaande dit punt beslist, zoo de graaf vooral tegenover zekeren Ds. manger in 't begin van 1737. Zoo werden zij niet alleen door de doode orthodoxie veroordeeld, ook de kringen der „fijnen", die zich eerst sympathiek toonden, trokken zich met weinige uitzonderingen weer terug. Niet dat zlnzendorf een tegenstander der leer van de uitverkiezing was. Integendeel, hij heeft zelf eens gezegd, dat de Broedergemeente die van de Gereformeerden moest leeren en duidelijker dan in het boven pag. 18 aangehaalde lied kan men zich wel niet uitdrukken, b.v. in het vers: „Auch ist's ein Rat der Ewigkeit — Viel alter als die graue Zeit, — Und wer den Ratschluss meistern will, — Muss Satan sein, sonst schweigt er still — Ein Töpfer macht aus Leimen (leem) allerlei — Und das ist's, was er machet, dass es sei". Maar de oplossing lag hem niet in de eindelooze verwerping, maar wordt door hem aangeduid in de woorden: „Die Thorheit spricht zum Herrn: „was machest Du?" — die Weisheit glaubt und denkt: Du

E. von Ranzau: Geschichte von Heerendijk, handschrift in het archief te Zeist.

Sluiten