Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wat uit haar voortkomt. Steeds moet zij zich aanklagen als eene overtreedster van hare jeugd af, en of zij ook bij de poort des hemels zal aankomen, zoo weet zij toch van niets dan van ontferming, en dankt het Zijner genade, en kent geenen doorheiper door het dal des doods, dan den trouwen Herder Zijner schapen, Jesus Christus. En hoe meer zij het nu begrijpt, dat hare heerlijkheid inwendig is, — des te gelatener draagt zij alle vervolging, allen smaad en hoon, en vreest niet de berooving van haar geld en goed, van hare eer en have, zij laat met zich doen, wat God toelaat, ja zij acht zichzelve niet eens het geringste lijden om den Naam van den Heere Jesus waardig, — zij heeft slechts ééne bede: „kom, Heere Jesus!"

Ofschoon nu de Gemeente van Christus dus in de ootmoedigheid haars harten niets wil dan Christus en Zijne gerechtigheid, en betuigt, dat in haar geen goed woont, en dat zij vleeschelijk is en verkocht onder de zonde, — en zucht en klaagt: ,,ik ellendig mensch! wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods?' — ofschoon zij zich alleen met de gerechtigheid Gods en Christi troost in dit leven,zichzelve echter, wegens de diepte harer ellende, steeds gruwelijker en afschuwelijker voorkomt, hoe meer zij de heiligheid haars Konings liefkrijgt: — zoo ontbreekt het haar toch ook niet aan uitwendig sieraad, en zij ontvangt menigvuldige genade- en Geestesgaven, die zoo waarachtig uit het geloof voortvloeien, als de Schrift zegt, dat „wij Gods maaksel zijn, geschapen in Christus Jesus tot goede werken, welke God voorbereid heeft, opdat wij in dezelve zouden wandelen".

In dit uitwendig sieraad heeft zij intusschen voor zichzelve volstrekt j geene hoop, ook wijst de Geest haar daarop geenszins als op de oorzaak der inwendige heerlijkheid! daarom voegt Hij er aan toe (zooals het moet vertaald worden): „meer dan het gouden borduursel harer kleeding"; en dit vergelijkende meer toont aan, dat hare verborgene heerlijkheid, ten aanzien harer zaligmaking en heerlijkmaking, de uitwendige kleeding verre overtreft, welke laatste hier niets vermag.

Sluiten