Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

I.

In het paradijs stelde God den eersten mensch, Adam, geschapen naar Zijn beeld, naar het beeld Gods; man en vrouw schiep Hij hem, en God zegende hen, en God zeide tot hen: „Weest vruchtbaar en vermenigvuldigt en vervult de aarde". En nadat God den mensch alzoo met ware gerechtigheid en heiligheid — Zijn beeld — versierd en hem met vruchtbaarheid gezegend had, zag Hij hem, en in hem zijn zaad, als goed, rechtvaardig en heilig aan, en richtte met hem het Verbond der gehoorzaamheid op: „Van allen boom dezes hofs zult gij vrijelijk eten; maar van den boom der kennis des goeds en des kwaads, daarvan zult gij niet eten; want ten dage, als gij daarvan eet, zult gij den dood sterven". — Door de list des duivels verleid, at de eerste mensch van den boom, werd ongehoorzaam, verloor het evenbeeld Gods, hield het Verbond niet, viel den eeuwigen dood toe, en door en in hem al zijne nakomelingen, als hebbende*allen in Adam gezondigd. Door deze eene zonde kwam het oordeel der verdoemenis over de gansche wereld, ligt de gansche wereld onder den vloek, en is er niemand, die door den wil eens mans rein geboren wordt; een iegelijk moet veeleer bekennen: „Zie ik ben in ongerechtigheid geboren en in zonde heeft mij mijne moeder ontvangen Deze eene zonde, die wij van Adam geërfd hebben, is de kwade wortel en vuile bron, waaruit alle andere zonden voortvloeien. Door deze is het gedichtsel van 's menschen hart alleenlijk boos van zijne jeugd af aan; — en er is niemand, die goed doet, ook niet tot één toe. Sinds liggen wij allen, zooals wij hier zijn, onder de heerschappij van den geestelijken en eeuwigen dood, zijn kinderen des duivels en erfgenamen der hel; zijn geheel en voor eeuwig verloren in onszelven; zijn vervreemd van het leven, dat uit God is, verduisterd in ons verstand, en wat onzen wil betreft slaven des Satans, haters Gods en onzes naasten; terwijl ons hart eene bron is van boosheid, onkuischheid, nijd, moord en allerlei gruwelen. — Zoo zijn wij

Sluiten