Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

los zondigt, en, als had hij geen kwaad gedaan, naar het vleesch wandelt in zijnen onreinen lust, — [of die de schuld werpt op zijnen ouden mensch, of op zijne onmacht, of op God, of op de Wet, of op zijn boos hart, of op zijn lichaam, of op den duivel, of op zijnen naaste, of op de noodzakelijkheid, of op zijn diep bederf, en van de genade en van den lieven Heere Christus een pijnstillend middel maakt, om de oogenblikkelijk ontwaakte consciëntie tot gerustheid te brengen, in plaats van te belijden: „Ik, ik, ik heb tegen U alleen gezondigd, en gedaan dat kwaad is voor Uwe oogen, en veroordeel mijzelven";] — of die, zich zijner eeuwige verkiezing beroemende, de wedergeboorte, de inwoning des Heiligen Geestes en de verrijzenis des vleesches loochent, — of die het geschrevene Woord veracht, en onder hetzelve den hals niet krommende, [het wringt en draait zooals hij het gaarne had, daar men zou beven en rillen voor Gods Woord, en de heiligheid van 's Heeren Wet en de gerechtigheid Gods ten koste van en met veroordeeling van zichzelven erkennen, met de klacht eens verbrokenen geestes: „Ik ellendig mensch, wie zal mij verlossen van het lichaam dezes doods?" dankende nochtans God door Jesus Christus onzen Heere; — of die, terwijl hij muggen uitzuigt en kameelen opslikt, verloochenende Christus om een handvol genieting des ongeloofs, die heiliging niet najaagt, zonder welke niemand den Heere zien zal; zooals geschreven staat in den 50sten Psalm*): „Maar tot den goddelooze zegt God: wat hebt gij Mijne inzettingen te vertellen, en neemt Mijn Verbond in uwen mond, daar gij toch de kastijding haat, en Mijne woorden achter u henen werpt; als gij eenen dief ziet, zoo loopt gij

*) Inhoud van dezen Psalm in den eersten Gereformeerden Bijbel, gedrukt bij Jan Canin te Dordt 1571: Een Prophetie van der gemeyner vercondinge des Rycx Christi, ende van der afsettingen des Wets met alle haer offeren ende Godsdiensten; ende zyn hier treffelicke vermaningen en dreigingen, dat wy met achterstel des Wets en haerder gerechtigheyt, de barmherticheyt ons in Christo bewesen begrypen■

Sluiten