Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

waarom ik bij de Wet niet in huis blijven, bij de Wet niet leven kan, — want de Wet is geestelijk, maar ik ben vleeschelijk. Wanneer ik ook ten halve vleeschelijk, ten halve geestelijk was, wij zouden toch niet in vrede met elkander kunnen leven, omdat ik altoos het werk der Wet niet verder dan tot de helft brengen zoude, en hiermede was ik nog des te minder geholpen, want het zou vergeefsche arbeid wezen, waarvoor ik dan toch nog geenen dank behalen zoude, omdat de Wet, niettegenstaande dit alles, geestelijk het oordeel zoude vellen, en in alle opzichten op een volkomen werk zou blijven aanhouden. Want de Wet is geheel geestelijk, en wil met een haar geestelijk gelijkvormig hart bemind, en met lust en met der daad gehoorzaamd zijn; zij wil haar werk uit geheei vrije aandrift en volkomene toegenegenheid, inwendig en uitwendig, verricht hebben, zooals zij geestelijk is en geestelijk over ons doen uitspraak doet. Ik ben daarentegen geheel, met mijnen geheelen mensch, met lijf en ziel, met vernuft en wil, met al mijne zinnen en leden — vleeschelijk, zooals ik inwendig en uitwendig leve, geheel uit vleesch geboren, uit zondig zaad geteeld, en in zonden ontvangen; vandaar is het gedichtsel en het trachten van mijn hart boos van mijne jeugd aan, en het houdt niet op; vandaar ben ik een onreine uit onreinen, en is de bodem mijns harten enkel zonde, ja alles, wat in en aan mij zich roert en beweegt, te gelijk met al mijne krachten, begeerten, lusten, neigingen, — mijn geheel bestaan is zonde, en alle indrukken, die ik van buiten af in mij ontvange, worden tot zonde, of de zonde gaat en hangt en kleeft er zich aan vast. Zoo zijn ook al mijne gewaande gerechtigheden een met bloed bezoedeld, wegwerpelijk stuk doek, en er woont in mij niets goeds, neen, maar alle werken des vleesches doorkruisen zich in mij, en — ik doe, wat ik ook doe, of laat, wat ik ook laat, — ik zondig en ben vleeschelijk, en wanneer ik het ook niet wil, dan zondig ik toch, en wanneer ik het ook nog zoozeer hate, dan zondig ik evenwel; zoo leeft, en woont, en roert zich, en werkt in mij de zonde, en kleeft het booze mij overal aan.

Sluiten