Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Iemand wil aan God denken, maar er valt iets tnsschen in, — en wat om hem heen is, doet hem voor eenen geruimen tijd alles behalve bezig zijn met den levenden God. Of hij wil in waarachtigen ootmoed voor Gods aangezicht verkeeren, maar juist bij de heiligste verrichtingen vindt zijn hoogmoed voedsel. Hij wil zijn oogen voor de ijdelheid toesluiten, een spiegel in de kamer roept hem toe: „O ijdel mensch!" - Hij wil zich voorbereiden tot het gebed of tot het heilig Nachtmaal, — de minste kwetsing, die zijn eigenliefde ondergaat, werpt al zijne plannen van ingetogenheid omver. Hij wil kuisch zijn^ maar juist nu komt de begeerte het meest bij hem op. Hij wil niet twisten, maar vreedzaam zijn, — een stroohalm voor zijne voeten geworpen, een enkel woord, en hij bruist op. Hij heeft zijne heiligheid gebracht tot de hoogte eens bergs, en op eens stoot hij haar zelve weder omver.

Zullen wij nog geheel andere dingen opnoemen? wat wij daar zeiden, is geheel van boven af genomen, het zit er nog anders, en al dieper. Satan en zonde, begeerte der oogen, begeerte des vleesches en trotschheid des levens hebben geen einde, en zelfs in de beste en heiligste oefeningen zal altoos deze waarheid zich luid openbaar maken: de Wet is geestelijk, maar ik ben vleeschelijk! Daarom houdt op met alle werken en uw-best-betooningen! — hebt gij Christus niet geheel, dan zijn het alles te zamen werken, die gij der Wet schuldig zijt, — en hebt gij Hem, dan blijft het dan nog alles vleeschelijk, wat uit u, als uit u voortkomt; zoekt Christus en Zijne gerechtigheid, en leert het, zonder iets, u bloot op Gods genade en Zijne barmhartigheid te laten drijven, en tracht daarnaar, dat gij gedurig meer en meer in Christus wordt gevonden. Hebt gij Hem, den Hoogepriester, dan hebt gij alles; van Hem, Die het Hoofd is, daalt dan op u, Zijne leden, genade voor genade neder, zoodat het u aan geene deugd ontbreekt, welke God in u wil aanschouwen. Zijn maaksel zijn wij, geschapen in Christus Jesus tot goede werken, welke God voorbereid heeft, opdat wij er in zullen gewandeld hebben, en wat beneden of boven dien is, is niet anders dan werk der Wet; en wat wij uit onszelven ooit doen, gedaan hebben of doen

Sluiten