Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wij, tot wie de vermaning gekomen is, niet slechts onze eigene zaligheid te werken met vreeze en beven, maar elkanders zaligheid, begeeren niets vuriger, dan dat de oogen geopend worden voor eene algemeen geldende dwaling, en velen afgebracht worden van een evangelie naar den mensch, waarbij de tot God bekeerde mensch, onder welke liefelijke drangredenen ook, weder van Christus af en onder de wet gebracht wordt, om door werken der wet (doe dat, en gij zult leven!) zijne zaligheid te volmaken en eene vleeschelijke heiligmaking na te jagen, met welke toch niemand den Heere zien zal. Van die "dwaling en zoodanige prediking zal een iegelijk afgebracht worden, die, in oprechtheid vragende naar God en Zijne gemeenschap, zonder vooroordeel deze leerrede en de volgende leerredenen von Dr. Kohlbrügge leest; hij zal deelachtig worden den eenigen troost in leven en sterven, om in gerechtigheid bevonden te worden voor God, in overeenstemming met Zijne Wet, in den wandel naar Geest heilig en onbestraffelijk. Inmers, evenals Paulus, de Apostel des Heeren, predikt K. Christus, Christus geheel en volkomen, ons van God gegeven tot wijsheid, rechtvaardigheid, heiligmaking en verlossing; en het is juist de d a n kbaarheid jegens God voor Zijne verlossing, dat K. de waarheid van 's menschen diepe ellende „ik ben vleeschelijk, verkocht onder de zonde" zoo onomwonden predikt en overal handhaaft, en Gode de eer geeft voor Zijne verlossing door Jesus Christus onzen Heere. Zoo deed David : Psalm 116 : 13; zoo Paulus: Romeinen 7 : 24, 25. Maar al wie nog wat is en wat worden en wezen wil, heeft aan zoodanige dankzegging niet genoeg, die wil God en menschen en zichzelven wat wijs maken, die verheft zich op zijn bekeerd-en betergeworden-zijn, op zijn wasdom en vordering in de heiligmaking (beter gezegd: in het Godt-gelijk-wezen, kennende het goed en het kwaad, Gen. 3 : 5); hij meent Gode te leven, de Wet Gods te eeren, een heiligen ijver te hebben voor hare onderhouding, ja sedert de bekeering aan de Wet aanvankelijke trouw te hebben bewezen, en, schoon met vele tekortkomingen, haar meer en meer gelijkvormig te worden, om straks in het gerichte Gods, b ij de genadige toerekening van de verdiensten van Christus voor de nog overgebleven zwakheid of tekortkomingen, geheel volmaakt en heilig te staan! Vandaar de vijandschap tegen de prediking der gerechtigheid des geloofs, zooals K. die in zijne leerredenen ontwikkelt; daar is het: de mensch niets, en God alles, —de mensch ten aanzien van Gods Wet zonde en vloek, maar in

Sluiten