Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

laten, zich stootende aan dat Woord", (bldz. 9.) En Kohlbrügge verklaart aldaar: „Niet ik heb mij verwijderd van degenen, die Gij uwe Gemeente noemt, maar zij, ten minste voor zooveel de Utrechtsche en verscheidene andere Afgescheidenen aangaat, hielden en houden zich tot dusverre verwijderd van dien zij niet hooren willen vanwege hunne afkeerigheid van 's Heeren Wet". — En in het jaar 1863 schreef K. uit Bazel, waar hij bij zijnen schoonzoon, toen Privaatdocent Dr. E. Böhl, vertoefde, een brief aan zekeren vriend L., dien Ds. H. W. C. Koeken 1879 uitgegeven heeft, waaraan wij het navolgende ontleenen: „In 1833 verscheen mijne leerrede over Rom. 7:14; zij, die spoedig daarop de Afscheiding invoerden, verwierpen die leerrede en beschuldigden mij van Antinomianismus of wetbestrijding. Ik ' doorliep toen alle de boeken, die ooit van de Antinomianen uitgegeven zijn. Dat noemde ik en dat noem ik nog onschuldig bloedvergieten, iemand te beschuldigen van de ketterij aller ketterijen, waarvan mijne ziel een afschuw heeft. Zij verwierpen in mijn persoon het getuigenis, waarin de redding van Kerk en land lag. Tegen al mijn waarschuwen aan werd de Afscheiding begonnen en doorgezet. Honderden, die zich afscheidden, vraagden eerst bij mij aan, ik zou hun in den Naam des Heeren zeggen, wat hier de rechte weg ware, 't welk zij dan aanhoorden; weder en weder komende zeiden zij eindelijk zij hadden er geen licht in, en scheidden zich intussch'en spoedig daarop af. Zij, die de Kerk waren, gingen Kerkjes stichten, lieten zich door deels onbekeerde jongens drijven, om naar vleesch te kunnen wandelen, — en verwierpen in mij den van God gezonden en door veel lijden toebereiden getuige, die weder met de leer kwam, welke God op 't hoogst verhoogt en den mensch op 't diepst verootmoedigt. Die ik liefhad keerden mij den rug toe, en de vijanden hadden hunnen wil. Zoo stonden de zaken toen; nu zijn wij ongeveer 24 jaren verder, en de vijand heeft alles in. 't Is geschied onder Gods rechtvaardig oordeel en hooge toelating, gelijk het opkomen van Saul en zijnt regeering. iMochten 'er weinigen gevonden worden, die het den vroegeren napraten om mij te betichten van eene ketterii, waarvan ik een afschuw heb. Onder Afgescheidenen en niet- Afgescheidenen zijn, die mijne broeders en zusters zijn in den Heere. Moest ik in Holland thans leven, zonder zelf te prediken, ik zou gaan, waar ik het groene gras vond, 't zij niet of wél afgescheiden, latende

Sluiten