Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

waarschuwend den vinger op: de vaderen allen hadden evenzeer gemeenschap aan het geestelijke, vers 1—5, als wij allen in brood en wijn des Avondmaals hebben, vers 16, 17, 19—22, nochtans was het meerendeel dier vaderen slechts een Israël naar het vleesch, in hetwelk God dus geen welgevallen had. Vertrouw dus op diealgemeene gemeenschap niet. Maar zie toe dat wij niet afvallen, mèt dat alles, gelijk het meerendeel dier vaderen den Heere tergende.

Er is dus een zijn uitwendig in het Verbond, mogelijk, ook zonder het inwendig in-zijn. En het eenvoudig in-zijn zonder meer, doet op zich zelf nog niet uitsluitend denken aan zulk een in-zijn, dat ook inwendig bestaat.

Dit weten wij, dat waar Abraham de belofte verkreeg dat God ook de God van zijn zaad zou zijn, evenwel velen van zijn zaad God niet hebben tot bun deel, — of altans niet anders dan in uitwendigen en tijdelijken zin, zonder dat nochtans de Schrift zulken, alle in-zijn in het Verbond en in èlk opzicht het kindschap ontzegt. Zie Rom. 9 : 4, benevens het gansche Oude Testament. En dit wetende hebben wij met de Schrift in de hand geen vrijmoedigheid om het „heilig" in 1 Cor. 7 : 14 in sterkeren zin op te vatten dan waarin ook gansch Israël heilig was, ook zonder wedergeboorte, — tenzij het alzóó is, dat onder het Nieuwe Testament het relatieve niet meer bestaat. 1 Cor. 10 toont ons evenwel iets anders. En ook de gelijkenissen van Jezus, waarin de Heere velen als i n de Kerk voorstelt, in uitwendigen zin en voor dit leven, die geestelijk nooit in de Kerk zouden komen. Het relatieve is nu eenmaal van de ondermaansche verschijning der Kerk onafscheidelijk. Genoeg. Wij zullen hier niet verder in herhaling treden van hetgeen in ons eerste werkje meer uitvoerig is te vinden.

Sluiten