Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Heere. Zij zijn — als één geheel, als één organisme bezien „des Heeren", die de beloften en Verbonden hebben, (de Wachter no. 40).

Als wij het gevoelen van T. B. in de Wachter zullen vertolken, komen wij tot deze voorstelling. De onwedergeborenen behooren wel tot de Kerk, maar toch zijn zij er slechts in, en t u s s c h e n de ware leden, en behóóren er dus in den eigenlijken zin niet toe. „De Kerk" is werkelijk de Kerk en „des Heeren", doch met verkeerde bestanddeelen, hypocrieten, enz. daar i n en daartüsschen. Daar wel i n, en tussch en de ware leden, maar zij behooren er in den eigenlijken zin niet toe, niet t o t de Kerk. Zij vormen de Kerk niet; de Kerk bestaat niet uit hen. Zij zijn niet mede de Kerk. De Kerk zijn alleen de goeden. De anderen zijn daarin en daartüsschen.

Dat schijnt mij ten slotte, als hij het precies en zonder vaagheden nu zal zeggen, het gevoelen van T. B. De anderen zijn dus om met de Friesche Kerkbode te spreken: een bizondere groep onder de niet-verbondelingen, niet onder de verbondelingen, en alzoo ook een bizondere groep buiten de Kerk, niet behoorende t o t de Kerk; hoewel er in en tusschen, niet mede de Kerk vormende, n.1. de Kerk zooals wij die in dit leven kennen en vóór ons zien. De Kerk toch is naar de H. Schrift „des Heeren".

Behooren de uitwendige leden tot de Kerk, in geïnstitueerden en zichtbaren zin, of eigenlijk niet? Zijn zij in dit leven een bizondere groep onder de niet-verbondelingen, of onder de verbondelingen ? Zoo is toch te vraag. Behooren zij voor dit leven tót de Kerk, of buiten de Kerk?

Deze kwestie is van zeer ingrijpend gewicht en moet nu allereerst onder de oogen gezien.

Dat de kerk is de vergadering der oprecht geloovigen, is daarmede voor óns, in dezen tijd, alles gezegd ? Dit is zoo naar de idee, naar het ideaal, dat ons bekoort, en dat wij ook eenmaal zullen bereiken. En het is de verborgen, geeste-

Sluiten