Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

belet ons aan te nemen, dat Paulus zoo sprekende, met zijn geest niet blijft hangen aan het uitwendige, aan wat voor oogen is. Want toch niet dat drukt het wezen uit, maar het wezen komt er in ui t. De vorm is maar de uitwendige vorm, tot openbaring naar den wil des Heeren van het wezen. Wat wonder zou het zijn, als Paulus dat bedoelde, dat wezen, die werkelijke Gemeente te Corinthe e.a. plaatsen, wanneer hij namen voor haar gebruikte waaronder men, om waar te zijn, niet óók onwedergeborenen kan nog mag begrijpen ?

Wij achten dus, dat de apostelen, noemende „geheiligden in Christus Jezus", — als hij dit alléén bedoeld in den zin van wedergeborenen, en dit komt ons ook wel voor, — ook werkelijk zulken op het oog heeft, en niet óók anderen. Hij had dan alzoo niet op het oog ook de „valsche broeders" en bloot natuurlijke menschen, die uitwendig tot de Gemeente konden behooren, maar dringt door tot die leden, welke waarlijk, de Gemeente waren, — om welke te bereiken, het naar den aard der tegenwoordige aardsche bedeeling geen pas gaf openlijk aan te wijzen, w i e het waren. De tijd der schifting komt eerst later. Neen, niet anders kon en mocht hij doen, waar hij aan het lichaam der Gemeente Gods te Corinthe of elders wilde schrijven, dan zich te wenden tot de openlijke en ofticieele verschijning daarvan te midden der menschenwereld. In deze uitwendige verschijning krijgt gij de Gemeente echter in dit leven meestal niet zuiver voor oogen, maar uitwendig vermengd en vereenigd met andere bestanddeelen. En nu niet, alsof Paulus altijd in zijn brieven alleen die Gemeente in zuiveren zin beoogt, neen, ook verwijdt zijn geest zich wel, en spreekt hij dan terdege aan, de Gemeente in haar uitwendige en breedere vorming. Paulus kende evenwel nimmer, — dit moet vaststaan — aan hem die deze genade niet bezat, toe de wedergeboorte of vergeving der zonden.

Het is precies hetzelfde wat wij vinden in de profetieën, b.v. Jes. 53. Daar kent Jesaja aan „ons" toe het deelgenoot-

Sluiten