Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voor wat betreft het uitwendige, voor wat betreft de Kerk dus, zoover wij haar met preciesheid kunnen aanwijzen. Maar voor wat aangaat de Kerk zélf, de Kerk naar haar geestelijk en blijvend wezen, is dat uitwendige dat men ons doet noemen het officieele, bij ons maar de vergankelijke vorm, die voor de eischen en behoeften van dit leven beteekenis heeft, maar die niet het wezen zélf is. Naar de geestelijke zijde gezien, is dat uitwendige niet het beslissende en atdoende en dus, wij zouden zeggen juist niet het officieele.

Maar, zoo zegt men verder, zoo iemand is toch „rechtens 1 in Kerk en Verbond. Wij moeten zeggen : deze uitdrukking is wel wat vaag. Recht heeft geen mensch in zich zelf op iets goeds, wat het zij.

Maar onze plicht is het ons te voegen onder het juk van Koning Jezus, en dus onder de schare Zijner discipelen. Daar te zijn dit is ons recht niet, maar onze plicht, en onze roeping. Is iemand daar nu slechts uitwendig, zoo heeft hij niet het recht om deswege maar heen te gaan, dit zou zijn de goddeloosheid nog meer opeenstapelen, maar hij heeft alleen den duren plicht, verder te gaan en benevens zijn uitwendig zijn, nu ook zijn hart aan dezen Koning te geven, en dit zelfs onverwijld. Doch wanneer hij aan het einde zijns levens den Heere zijn hart nog immer onthouden heeft, en hij dezen Koning immer met het bloot uitwendige en betrekkelijke heeft zoeken te paaien, hem immer de geheelheid van zijn zijn onthoudende, zoo zal ten slotte, bij Zijne volheerlijke wederkomst ook genomen worden van hem, hetgeen hij heelt en zal hij naakt heengewezen worden, — d.i. zonder het uitwendige, en in zijn eigen leelijke gedaante, — in den poel die van vuur en sulfer brandt. Aldaar zal weening zijn en knersing der tanden.

Tot dien stond toe evenwel houdt de Heere zelf en ook zijn apostelen, zulken onder de schare Zijner discipelen naar het uitwendige en i n Zijn Kerk. En in zóó ver zou men kunnen zeggen, zijn zulke personen rechtens, wat

Sluiten