Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een doop bloot uitwendig in den Naam van God Drieëenig, een vereeniging met, en inbrenging, uitwendig en slechts voor dit leven, in de Kerk.

Of ontkent men dat de Naam van God Drieëenig als zoodanig ook in het uitwendige leven schittert, en in het uit wendige leven schijnt, en nu ook dat leven naar zijn heerlijkheid vervormt,—hetwelk feitelijk de K e rk naar haar uitwendige heerlijkheid uitmaakt — ? Dit is de heerlijkheid welke haar van de wereld onderscheidt. En is het voor ontkenning vatbaar, dat iemand in die uitwendige heerlijkheid, in dat uitwendige leven der Kerk, — in de Kerk naar haar uitwendige heerlijkheid dus, — kan ingaan, en zich daaraan kan overgeven, — hetwelk immers feitelijk zóó dikwijls gebeurt, als iemand door den Doop haar wordt ingelijfd, 't zij dan ook met of zonder wedergeboorte — ?

Sluiten