Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geestelijke goed, van den Christus, of: den band van het teeken of van het uitwendige, dat men deelachtig is, mèt dat geestelijke goed, met dien Christus. Maar dit algemeen bestaande" is nog niet de g e e s t e 1 ij k e gemeenschap en aanraking daarmede, de zaligmakende gemeenschap en aanraking daarmede, en onderstelt die alzoo op zich zelf in het geheel niet, wijl die uitwendige gemeenschap en aanraking zeer zeker er kan zijn, en dikwijls er is, zónder de geestelijke of zaligmakende.

De uitwendige gemeenschap of aanraking, die is een gevolg, een noodzakelijk gevolg, van den band tusschen het teeken en uitwendige, èn het geestelijke of den Christus. Of er de wedeigeboorte of geestelijke gemeenschap ook bij is, of bij zal komen, dit hangt af van den verborgen raad Gods. Doch de Christus komt verder, dan alleen tot zijn uitverkorenen, en stelt de menschen in een zekere gemeenschap en aanraking met zich, door den gestelden band tusschen het uitwendige en het geestelijke.

Waar de Christus door Zijn uitwendige teekenen of Woord komt, dit onderstelt natuurlijk nog niet het innerlijke deelhebben aan den Christus. Het uitwendige strekt zich verder uit, ook hier, dan het geestelijke en blijvende. Het uitwendige onderstelt wèl den Christus. Maar de Christus, waar Hij komt en waar er een zekere gemeenschap of aanraking met Hem is, en een zekere heiliging dóór Hem dientengevolge bestaat, onderstelt nog niet het innerlijke en geestelijke deelhebben aan Hem Waar do Christus komt, en zich geeft in het Woord, u i twendig komende, en de daarbij behoorende teekenen,— daar onderstelt dit nu eenmaal niet voor ieder persoon, het dóórdringen van dien Christus met de zaligmakende werking Zijns Geestes ; het onderstelt niet een ieders verkiezing en zaligheid. Iemands behooren tot dien kring onderstelt nog niet zijn wedergeboorte.

Sluiten