Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Daarom gaat het niet aan te zeggen, dat wel enkele menschen uit de massa behouden worden, maar dat de menschheid teloorgaat. Niet een tuil van verkoren personen, maar de plante zelve der geredde menschheid zal eens voor God eeuwigljjk bloeien. Niet de verkorenen worden afgescheiden van de menschheid, zoodat deze teloorgaat, en slechts die enkelen behouden worden, maar omgekeerd de verlorenen worden afgescheiden.

Het is dan ook eene verkeerde voorstelling dat op het erf der gemeene gratie, d. w. z. in de wereld, geen positief goed zou kunnen worden gevonden. Zoo heeft men aan de hand van de bekende uitspraak van den Heidelbergschen Catechismus wel geleerd. De 8ste vraag „Maar zijn wij alzoo verdorven, dat wij ganschelijk onbekwaam zijn tot eenig goed en geneigd tot alle kwaad?" wordt zeer beslist beantwoord met: „Ja wij, tenzij dat wij door den Geest Gods wedergeboren worden." Hieruit heeft men afgeleid dat de gansche menschheid verloren was, als zijnde van verdorven natuur. Wel zag men in de wereld van hen, die gerekend worden niet wedergeboren te zijn, allerlei dat men geen kwaad kon noemen, maar men kon dit op grond van genoemde uitspraak toch ook geen goed noemen. Men maakte daarom een onderscheid tusschen het eene goed en het andere en sprak van „burgerlijk goed" en van „zaligmakend goed". De niet-wedergeborenen konden wel „burgerlijk goed" doen, maar geen „zaligmakend goed". Deze onderscheiding echter wordt door K. ten ernstigste bestreden. Deze beschouwing noemt hij in hooge mate gevaarlijk. Het is een in den grond Roomsche beschouwing. De bekwaamheid om zaligmakend goed te doen wordt op die wijze iets naast de bekwaamheid om burgerlijk goed te doen. Bij den val verloor de mensch de eene bekwaamheid, maar hij behield de andere. Het is de Roomsche leer van het donum superadditum, welke af te keuren is (Gem. Gr. II bl. 52). De gemeene gratie is een gave en genade Gods en krachtens die genade kan de niet-wedergeborene positief goed doen. De

Sluiten