Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wonderen zijn een ingrijpen in die wereld. Zij doen derhalve in die wereld een kracht werken, welke zich tot de eigenschappen der geschapen dingen verhoudt als iets nieuws. Wie dit ontkent heft feiteljjk het wonder, zooals de Schrift het ziet, op, omdat hij het wonder maakt tot onderdeel der kosmische orde. De Schrift weet niet heter of de wonderen worden door God onmiddellijk op voor den mensch onnaspeurbare wijze gewerkt. God is er als hij den kosmos iu het aanzijn roept, doch Hijzelf is „bovennatuurlijk". Hij mag een zekere orde hebben ingesteld, doch Hij staat tegenover het door Hem geschapene als de vrijmachtige, die stuurt en ingrijpt naar zijn onnaspeurlijken Wil. Het bewustzijn van onzen tijd aanvaardt deze beschouwing niet. Zij neemt, juist omdat zjj dit niet doet, geen wonderen, als in de Schrift worden beschreven, als historische gebeurtenissen aan. Wie dit hedendaagsch bewustzijn wil aanvaarden moet het schriftuurlijk wonder prijsgeven en wie dit niet wenscht, moet er van af zien zijn theologie in rapport te willen brengen met dit bewustzijn.

Bij de leer der wedergeboorte blijkt zeer duidelijk hoe de poging de gereformeerde theologie te moderniseeren slechts uitloopt op opheffing van de leer der Vaderen. Volgens Kuyper is de wedergeboorte geen nieuwe schepping, maar herschepping, enting geen nieuwe planting. Het oude blijft.

Wij behoeven Rom. 6 slechts op te slaan om te zien, dat de Schrift anders spreekt. De oude mensch wordt gekruisigd, opdat het lichaam der zonde te niet gedaan worde. De nieuwe mensch is met Christus één plant geworden. Van de Christenen wordt in Col. 3 9-10 gezegd, dat zij „uitgedaan hebben den ouden mensch met zijne werken en aangedaan hebben den nieuwen mensch." En eveneens heet het Epheze 422-24 dat de Christenen den ouden mensch hebben afgelegd en dat zij den nieuwen mensch aandoen, die naar God geschapen is in ware rechtvaardigheid en heiligheid. Zij zijn met Christus bekleed (Gal. 3 2|), hunne lichamen zijn leden van Christus (1 Cor. 61B). Zij zijn niet langer uit vergankelijk zaad geboren,

Sluiten