Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

is dat do Schrift in den meest volstrekten zin des woords uit den goddelijken Geest is voortgekomen. Men heeft wel getracht daaraan te ontkomen door de centrale plaats, die zich daarover uitspreekt te verzwakken, maar dit kan nergens en allerminst op het erf der palingenesie worden toegelaten. 2 Tim. 316 „Alle schrift is „theopneustos" beteekent „alle schrift is van den Geest Gods vervuld en daarvan afkomstig". Dit wil niet zeggen dat er in die Schrift elementen zijn van goddelijken oorsprong en daarnaast veel anders van menschelijken oorsprong, maar dat de geheelheid der Schrift is van Gods Geest. Daar Gods Geest alleen door God verwekt en gegeven wordt is derhalve de geheele Schrift, zóó als zij daar door 2 Tim. wordt ondersteld, van God; voor een ingeweven menschelijken factor is daarbij geen plaats. Wanneer de Geest Gods den menscli vervult is hij niet meer gewoon mensch, hij is een drager van Gods Geest, een uit de wereld Gods, een „man Gods". De Heilige Schrift was derhalve voor hen, die ten tijde van het ontstaan van de Schrift leefden in realiteit „heilig" d.w.z. van haar ging heiligheid uit. Niet in dien zin, dat zij schoone, verhevene gedachten bevatte, maar in dezen zin, dat zij reëel Woord Gods was, waarvan de aanraking „heiligt" of, zooals de Joden het uitdrukten „de handen verontreinigde". Zij was een Codex Sacer in den meest volstrekten zin des woords en het nog heden ten dage bestaande gebruik de Heilige Schrift niet aan te vatten, maar in een omhulsel gewikkeld naar de Synagoge te dragen, gaat op die voorstelling terug. Daar is geen plaats voor een menschelijken factor in deze heiligheid en Jezus weet daarvan niets af, als hij ieder kleinste deel van den Pentateuch van het grootste gewicht acht en zegt „Er zal geen jota noch een tittel van de Wet voorbijgaan."

Op deze voorstelling is het geloof aan de absolute betrouwbaarheid gegrond. Moge nu ook in christelijke kringen die wereld der uiterlijke heiligheid verdwenen zijn, de volstrekte betrouwbaarheid van het goddelijke gezag van het geheel is gebleven. De Belijdenis zegt daarom in art. 3 „Wij belijden,

Sluiten