Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Geest, de belijdenis van den naam des Heeren, en de heerschappij van Christus buiten de realiteit van het leven stonden.

Hetzelfde bleek uit het beroep op Art. XI, wel te verstaan, zonder behoefte aan het herstel der kerkelijke vergaderingen als eenig middel om te komen tot de eenigheid des geloofs — uit de motieven waarom men niet ging doleeren. (Heeft men de dwaling in het uitgangspunt der doleantie, — de formulieren van het kerkelijk congres — hare kracht, hare actie in zake Art. XXXVI overwonnen? 1

over de liefdeloosheid:

Wij hebben geen medelijden gehad met de dwalenden.

Wij zijn niet voor de rechten van de kerk en het ambt opgekomen, maar hebben onze kerkelijke positie gehandhaafd met een beroep op de meerderheid en zijn — even erg voor die meerderheid gezwicht, getuige onze evangelisaties.

En nu is men gewoon op deze en soortgelijke bezwaren te antwoorden, dat het altijd zoo geweest is, dat het onder de tegenwoordige omstandigheden niet anders kan, maar men maakt hiermede Gods Woord krachteloos.

Hebben we op deze en soortgelijke punten eene gemeenschappelijke overtuiging, dan kan er actie zijn; dan eerst kan er sprake zijn van „saambinding" en „toenadering."

En nu, ik sta aan 't einde.

Niet meer kan ik met Simson zeggen: Nu zal ik heengaan en mij schudden als andere malen. God legt mij ter zijde.

't Valt mij zwaar, mij bij Zijn nog niet volkomen begrepen leiding neer te leggen. Maar Hij geeft mij ook het Woord van Manóach's huisvrouw op onze kerk toe te passen; dat de Heere nog geen lust heeft ons te dooden. (Richt. XIII : 23.)

Hij geeft het mij hieraan vast te houden: dat Hij het doet, dat Hij zorgt voor Zijn eer, dat Hij 't ongeloof zal beschamen.

1 Noch rechts, noch links, pag. 53.

5 Cf. De hoofdartikelen onder dien titel in de Nederlandsche Kerkbode van 19 en 26 Sept. 1908.

Sluiten