Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zamen, en den zegen, rustende op een wandelen in de vreeze en vermaning des Heeren. Tal van uitspraken roepen den ouders toe hun volle aandacht te wijden aan dat groote en gewichtige werk, en de God des Verbonds, die van hen eischt het hun toevertrouwde kind voor Hem op te voeden, komt in Zijne ontfermende liefde hen sterken en bekwamen met de belofte, dat Hij niet alleen hun God, maar ook de God van hun zaad wil zijn.

Maar niet uitsluitend hun taak is die opvoeding. God zelf voedt het kind op en wil hen daartoe als instrumenten gebruiken. En zij staan daarin niet alleen, al staan ze het dichtst bij hun kind. Zij zelf zijn kinderen van ouders, broeders en zusters van anderen, lidmaten der Kerk, leden der Maatschappij, zonen en dochteren van het Vaderland, onderdanen eener Regeering, die, met goddelijk gezag bekleed, de belangen van de grooten, maar ook van de kleinen heeft te behartigen. Die allen staan in betrekking tot dat kind, zien in hem den toekomstigen staatsburger, die straks meespreekt in de maatschappij, die als belijdend lid eenmaal optreedt in de Kerk, opkomt om zijn Vaderland te dienen, zoo noodig met zijn leven. En allen hebben er hun eigenaardig belang bij, hoe hij zal opgroeien, wat hij zal kennen en kunnen, welke persoonlijkheid hij zal worden, wat de beginselen zullen zijn, waarnaar zijn levensweg zal worden gericht. Daaiom werken allen in meerdere of mindere mate mede tot zijne opvoeding.

'tls echter de groote vraag, hoeveel en hoedanig, met welke rechten en plichten. En dan mag zeker de regeering des lands eischen, dat hij bekwaam worde om eenmaal als staatsburger op te 'treden met helder besef van zijne verplichtingen jegens het vaderland; de maatschappij, dat hij waardig zijn plaats zal innemen in de gemeenschap, om voor zichzelf te kunnen zorgen en mede te arbeiden aan de maatschappelijke welvaart; de Kerk verwachten, dat hij, tot jaren van onderscheid gekomen, zijn doop versta, „het lichaam des Heeren wete te onderscheiden en toegerust zij met gaven en krachten om den Heere te kennen en voor hem te leven. Voorzeker. Allen hebben bij die eischen ook de roeping om zijne opvoeding zoodanig mogelijk te maken, dat ze met volle recht mogen verwachten, hem eenmaal een waardige plaats te zien innemen in eiken levenskring, waarin hij

Sluiten