Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gekregen. A] werkende en spelende hield Heintje zich met hem bezig, en de gezichtskring van den stamhouder breidde zich onmerkbaar doch belangrijk uit. Ze leerde hem spelletjes en deuntjes, zijn kleertjes schikken en zijn speelgoed gebruiken. Geen duur speelgoed, dat mooi is, om voor de winkelramen uitgestald te worden, doch kinderen, ais ze 't eenmaal hebben, gauw verveelt — maar steentjes en klossen en boontjes, een zandhoop met een schop en e.en paar pijpekoppen, een rij stoven om een trein te maken enz. Waarschuwen deed ze zoo weinig mogelijk. Dreigen haast nooit. Ze trachtte, wat kwaad was, zooveel mogelijk te voorkomen. Waar zelfzucht, toorn, gierigheid, onwaarheid zich openbaarden, werden ze met biddend overleg nauwkeurig en volhardend tegengegaan. Tegen zelfzucht stelde ze trouwe liefde voor anderen, tegenover boosheid en toorn, welwillendheid en zachtheid, de gierigheid voelde zich steeds geplaatst tegenover een blijmoedig geven van alles, wat gegeven kon worden — de lpugen in de kinderziel zag zich tegentreden door de strenge waarheid en oprechtheid der moeder, die stelselmatig vermeed, wat haar jongen ooit kon doen zeggen, al was het in scherts: „Dat is niet waar." Nimmer zou Heintje b.v. met de hand voor de oogen den schijn hebben aangenomen, alsof ze schreidde, om in 't volgende oogenblik in lachen uit te schateren, want ze wist, dat zulk soort bewegingen, die de kleinen gaarne naapen, der waarheid geweld aan doen.

Wat onverbiddelijk vaststond? Nooit kreeg Gerrit iets gedaan door dwingen of schreeuwen. Al zijn stampen met de kleine voetjes, hij wist het gauw, was nutteloos. Met vriendelijkheid en zachtheid kon hij zijne goede wenschen vervuld zien — met geweld nooit — niet één keer. Ze trachtte hem daarbij steeds in een goeden luim te houden, en moest ze hem iets ontnemen, welnu, ze zocht eerst iets op, dat ze er voor in de plaats kon geven.

Trijntjes Gerrit werd het tegenbeeld. Eer hij een paar jaar oud was, geleek hij een Oostersch despoot. Zijn moeder had niets meer te zeggen, eenvoudig omdat ze zich uit zwakheid had overgegeven. Zij zelf leerde hem den baas spelen. Hij krijgt een kroes om uit te drinken, maar wil een kopje hebben. Gerrit aan 't huilen, zonder eind. Met een boterham, een koekje, of zoo iets wordt

Sluiten