Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Een linksche drophand wordt wantrouwend toegestoken. „Zeg nu eens, hoe heet je?'' Gewwit". Een algemeen gelach.

— „Zoo", zegt Meester, een mooie naam, „dien heb ik nog niet veel gehoord. Zeg het nog eens," .... „Gewwit". „Neen, Meester", roept zijn neefje, die al ingeburgerd is, „hij heet Gerrit, net als ik, maar hij kan 't nog niet goed zeggen." O zoo, nu dat zal hij wel leeren." — „Hoeveel vingers heb je. Gerrit?" Hij kijkt voor zich en zwijgt. Met een onmerkbaren zucht zet de onderwijzer zijn onderzoek bij de anderen voort en tracht in zichzelf het volgende probleem op te lossen: zoo een jongen in vijf jaar tijd nog geen praten kan leeren en zijn vingers tellen, hoe zullen wij hem dan in zes jaar lezen, schrijven, rekenen, geschiedenis, aardrijkskunde, Nederlandsche taal, natuurkunde, teekenen en zingen leeren, opdat hij eenmaal een waardig kiezer moge zijn ! En dan 40 nieuwelingen ! Hij eindigt met de troostvolle verzuchting, dat ze allen dan toch geen Gewwit heeten, en alle moeders geen Trijntjes zijn.

Welk een groot verschil! Gerrit, net van lijf en leden, vrijmoedig, blijmoedig rondkijkend in die nieuwe wereld, welke zich voor hem ontsluit, grootsch op zijne verhooging tot scholier

— en Gewwit? Bleek, benepen, zakkerig, angstig rondziende, grootendeels onbewust van wat er om hem gebeurt, en gansch het leege zieltje vervuld met de gedachte: ,,'kMot naar huis!!"

Meet nu eens de taak, als ge kunt, van den jeugdigen onderwijzer en acht hem om zijns werks wil.

Met Gerrit gaat het wel. Bij hem kunt ge dadelijk gaan bouwen. Er ligt een stevig, goed berekend fundament. De jongen heeft geleerd te zien, te onderscheiden ; hij kan denken over 't geen hij hoort en ziet en als het er op aan komt, het aardig zeggen ook. Hij heeft al zoo veel deuntjes en eenvoudige psalmverzen meegezongen in zijn vriendelijk tehuis, dat het hem niet moeielijk valt, de tonen van 's meesters lied te volgen. Zijn kinderziel is reeds zoo rijk aan beelden, dat de onderwijzer geen Spaansch voor hem praat, maar verstaanbare taal. Zijn lei en griffel, of zijn potlood en papier pakt hij vast als oude kennissen; door gelegenheid tot werkzaamheid en geoefendheid in het bezig zijn, kan hij terstond deelnemen aan alles, — en de eerste schooltijd vliegt om, eer hij er erg in heeft.

En Gewwit? Arme onderwijzer! Afbreken, sloopen, dat is zijn

Sluiten