Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mogen uitroepen, Gel! Gij vindt dan het woord des Heeren, waarbij wij in deze ure stilstaan, opgeteekend in Deut. 32 : 4a.

„Hij is de Rotssteen, wiens werk volkomen is."

De heerlijkheid Gods in zijn werk, ziedaar de gedachte die wij naar dit woord overpeinzen. Ze leidt ons tot de beschouwing van

I. het werk Gods voor ons, — en laat ons onzen Rotssteen geloovig aanbidden;

II. het werk Gods ondanks ons, —en wemoeten voor onzen Rotssteen schaamrood nederzinken;

III. het werk Gods door ons, — en we mogen onzen Rotssteen ootmoedig danken.

I.

„Ik zal zijn, die Ik zijn zal". Met dezen Verbondsnaam was Israël geroepen van den ticheloven en uitgeleid uit het diensthuis van Egypte. Geen andere zekerheid bezat het bij het goddelijk bevel, dan dit lichtwoord der genade uit het brandende braambosch, dat niet verteerde. Israëls God is Jehovah, de eeuwige, onveranderlijke God des Eeds en des Verbonds, die trouwe houdt in eeuwigheid en de werken zijner handen niet varen laat. Israëls God is het Eénige, het Al, wat het bezit. Aan dien God zal het zich met den dag moeten leeren vastklemmen als ziende den Onzienlijke. Israëls weg is van de eerste schrede af een weg des geloofs, waarin de heerlijkheid van Jehovah moet worden gekend. Maar daarom ook een weg van beproeving, van loutering, van verzoeking, die aan het geloof nimmer vreemd is, wijl het geloof gelegd is door de genade Gods in den mensch, die vleesch is. Zoo zijn ze door het geloof de Roode Zee doorgegaan als door het droge. Aan den oever der overzijde wordt nog in het geloof gezongen, gejubeld, doch ... daar breidt de onafzienbare zandwoestijn zich uit voor het oog; de reize naar Kanaan vangt aan. En héél die reize, ge weet het, moest geschieden, opdat de gansche kerk des Heeren en ieder kind Gods zijn weg, van het diensthuis der zonde af tot het hemelsche Kanaan toe, zou afgeteekend zien, en

Sluiten