Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van die dagen. Bovenal waren het de Godgeleerde Bijdragen en de Boekzaal, waaruit hij zag hoe velen openlijk voor hunne afwijking uitkwamen en het zich eene eer rekenden. Vroeger had hij dit minder gemerkt, of er zich niet aan geërgerd, omdat hij zelf, was het al niet evenver, dan toch in vele opzichten mede afgeweken was.

De kerkelijke procedure tegen De Cock is aangevangen op grond eener aanklacht door Ds. A. C. A. du Cloux van Vierhuizen tegen hem ingediend, omdat hij op Zondag 3 Nov. 1833 twee kinderen uit de gemeente te Vierhuizen te Ulrum had gedoopt. Op grond van die aanklacht werd in eene buitengewone vergadering van het classicaal bestuur eene commissie benoemd om de zaak op de plaats zelve te onderzoeken. Deze commissie, bestaande uit de predikanten A. Rutgers, J. H. Warmolts en P. Rutgers kwam den 18den November te Ulrum. Drie dagen voordat de commissie kwam was zijn boekje verschenen tegen Ds. Brouwer en Reddingius, de wolven in de schaapskooi van Christus.

Den 14den December ontving hij eenen brief van het classicaal bestuur van Middelstum, waarin hij geciteerd werd om op Donderdag den 19den December te compareeren, ten einde gehoord te worden over tegen hem bestaande klachten. In de vergadering van dat bestuur werd hem geene gelegenheid gegeven zich te verantwoorden, maar alleen antwoord van hem gevorderd op de drie vragen, of hij kinderen uit andere gemeenten te Ulrum had gedoopt, of hij personen uit andere gemeenten op zijne catechisaties toeliet en of hij de schrijver was van het werkje tegen Brouwer en Reddingius, en zoo ja of hij bereid was dit te herroepen.

Bij vonnis van den 19den December 1833 is De Cock toen „uit hoofde van zijnen ergerlijken handel en overtreding van zijne verpligting als leeraar geschorst in alle deelen van zijne dienst zonder verlies van traktement behalve het defrofjement van den consulent en den Ring".

Welke was de hoofdgrief?

Sluiten