Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

plicht gevoelen zich te moeten afscheiden van het sedert 1816 bestaand hervormd genootschap.

4 November 1335.

No. 6. Doordien de vervolging bij de uitbreiding onzer gemeente zich meer en meer openbaart, en bovendien meer zichtbaar is geworden blijkens een antwoord op de door Broeder-Diaken N. Obbes Dzn. ingezondene brief aan Burgemeester en Wethouders; zoo heeft de kerkeraad namens de gemeente dato 30 October jl. een adres aan Z. M. ingeleverd welk adres met eene voorrede van Ds. H. P. Scholte en den brief aan en van Burgemeester en Wethouders den 12 Nov. in druk is uitgegeven, waarvan een exemplaar bij de archives is berustend zich tevens vereenigende (blijkens het slot van bovengenoemd adres) met het adres door onze geloofsgenooten uit Groningen en Drenthe in Juli en uit Zuid-Holland, Gelderland en N.-Brabant in October aan Z. M. ingeleverd met hen verzoekende: „Dat het Z. M. mogt behagen om op grond van art. 190—193 en 196 der bezworene grondwet, onze afgescheidene gereformeerde gemeente te beschermen in de vrijheid onzer conscientie, in de vrijheid onzer openbare godsdienstoefeningen en ons tevens vrijheid te vergunnen ter ingereedheidbrenging op onze eigene kosten van zoodanig gebouw als geschikt zal zijn ter uitoefening van onze godsdienst, met aanbieding om die plaats aan de burgerlijke overheid onzer stad aantegeven, opdat daarover het behoorlijke opzigt moge genomen worden.

't Welk doende met verschuldigden eerbied Ouderlingen en Diakenen der gemeente J. C.

Amsterdam, 30 October 1835.

No. 9. In aanmerking genomen hebbende dat reeds door verscheidene rechtbanken veroordeelende vonnissen zijn uitgesproken geworden en veele boeten betaald zijn geworden wenschende hierin te helpen dragen, zoo zal de gemeente een lijst worden voorgelegd, opdat een iegelijks gift daarop

Sluiten