Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

einde in hunne eeredienst niet te worden belemmerd, maar integendeel in de vrije uitoefening van dezelve te worden gehandhaafd." Na het leedwezen van Zijne Majesteit over het voornemen der adressanten betuigd te hebben, werd verklaard, „dat in allen gevalle de door hen ingediende verzoekschriften voor geene gunstige beschikking vatbaar waren, maar zooals zij zijn liggende moesten worden gewezen van de hand."

„Dat, indien zij onverhooptelijk mochten blijven volharden om afzonderlijke nieuwe Godsdienstige genootschappen te vormen, de Koning aan hen geene toelating en grondwettige bescherming kon verleenen, dan nadat Zijne Majesteit zou gebleken zijn, dat de openbare orde of veiligheid daardoor niet gestoord kon worden; dat Hoogstdezelve dus zou afwachten de nadere daartoe in te dienen adressen, welke vergezeld zouden moeten zijn van hunne reglementen en statuten, teneinde daarop finaal te beschikken, nadat een en ander in het belang eener goede politie zal zijn onderzocht, en daarin niets gevonden, dat de publieke orde en rust zoude kunnen storen, met de goede zeden strijden, of eenige inbreuk maken op de bezittingen, inkomsten, rechten of titels van de gevestigde hervormde (gereformeerde) kerk of eenig ander reeds in dit rijk bestaand Kerkgenootschap, als welke Zijne Majesteit, volgens de grondwet verplicht is te beschermen."

„Dat dan inmiddels, zoolang zoodanige toelating door Zijne Majesteit niet zou verleend zijn, de adressanten geen aanspraak konden maken op de vrijheid van Godsdienstoefening en de bescherming, alleen aan de bestaande Kerkgenootschappen bij de grondwet verzekerd; en dat mitsdien voorloopig de door hen, zonder verkregene toelating, feitelijk opgerichte gemeenten, als onwettig, niet konden worden geduld."

Deze beschikking van Koning Willem I is voortdurend de gedragslijn geweest der Hooge Regeering met betrekking tot de Christelijke Gereformeerden, die zich van het Her-

Sluiten