Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den, en waren door eenige wijzigingen, dientengevolge gemaakt, de nog bestaande bedenkingen uit den weg geruimd. En nu verscheen, deu 14den Februari 1839, een Besluit des Konings, waarin verklaard werd, „dat door de requestranten thans voldaan was aan hetgeen in het Besluit van den 5"en JUH 1836 was gevorderd. Mitsdien werd de verzochte toelating aan de requestranten verleend, en het bestaan vergund binnen de stad Utrecht, van eene Christelijke Afgescheiden gemeente, bestuurd volgens de bepalingen van het genoemde reglement."

Voor de andere gemeenten was het bericht van deze vergunning geheel onverwacht, en op vele plaatsen werden nu weldra pogingen aangewend, om, gelijk te Utrecht, van de vervolging ontheven te worden; maar nergens werd groote blijdschap betoond, en zelfs gevoelden velen zich over eene erkenning bezwaard, die volgens dit Besluit verkregen werd. Ook werden, enkele gemeenten uitgezonderd, de overige nog steeds in de oefening van den Godsdienst verhinderd, en ofschoon zij op dezelfde wijze, als te Utrecht geschied was, zich met een adres en reglement tot de Hooge Regeering hadden vervoegd, zij kregen ten antwoord, dat aan het verzoek geen gevolg kon gegeven worden, omdat de Staat bevreesd was, dat de gemeente, volgens hare beloften, de armen niet zou kunnen onderhouden, of nog geen gepast lokaal voor den Godsdienst gereed had. Al deze gemeenten bleven dus aan de kwellingen van soldaten overgeleverd, of moesten voortdurend hooge boeten betalen, omdat zij, zooals beweerd werd, de kosten van den Godsdienst niet konden bestrijden. Tot zulke besluiten is Koning Willem I door zijne raadslieden en door den invloed van het Hervormd Kerkbestuur gebracht!

Door de weigering, om aan het verzoek van andere gemeenten te voldoen, werd duidelijk bewezen, hoe noode de Regeering des lands eenige weinige gemeenten, namelijk te Utrecht, Amsterdam, Groningen, Sleeuwijk en de Werken en Schiedam, tot het begin van 1840 had erkend en

Sluiten