Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

diens „smeekende" cliënte, Mej. W., gezegd mag worden, dat hij aan een „heiden" overgeleverd is.

Het woord „heiden" krijgt in dit verband een nog ongunstiger beteekenis, zoodra men weet, dat Mr. Tideman zich niet ontzien heeft, in het „Handelsblad" aldus te profaneeren : „om met de taal van Dr. Kuyper zelf te spreken, ik gevoelde, dat het in Gods eigen raad voorbeschikt was (de opkomst van een nieuwe Excellentie Kuyper te verhoeden), of anders gezegd dat hier geen toeval, maar een natuurlijk te verklaren wereldverloop aan 't werk was '•

Ik schrijf: profaneeren, want als Mr. Tideman zich inderdaad zóó nabij de Godheid waande, dan zou hij alle reden hebben om — al zou Dr. Kuyper in de lintjeszaak niet in allen deele goed gehandeld hebben

— hem dat ééne geval niet zoo ontzettend sterk aan te rekenen. Hij (Mr. T.) erkende immers, toen hij over zich zelf schreef, openhartig: „wij struikelen dagelijks in vele' . Welnu, wie er zóó bijbelsch over denkt, die moet, dunkt me, óók bij een ander wel wat door de vingers kunnen zien, vooral als hij zich herinnert, dat zelfs de groote Paulus er over klaagde, dat hij „een doorn in het vleesch had", waarvan het gevolg was, dat hij wel eens „het kwade, dat hij niet wilde, deed, en het goede, dat hij wèl wilde, naliet". Mr. Tideman zou dan ook, dunkt me, zoo hij geen „heiden" (in de allerslechtste beteekenis des woords) ware, alle reden gehad hebben om den man, wiens boeken hij zoo „gretig en zoo vaak met bewondering heeft opgeslagen en gelezen (dus ook niet den eerste den beste!) in 1909 een fout te vergeven, die zes

jaren vroeger begaan was.

Maar neen, voor dezen man is er — naar het héét: „in s lands belang" _ géén pardon, zelfs niet, nu hij zijn onvoorzichtigheid openlijk erkend heeft; ja, toen hij daarover in het openbaar „het boetekleed" aantrok, werd hij deswege van verschillende zijden nog weer voor 'n „Farizeër" uitgemaakt; en toch hadden de „haters" zich gemakkelijk genoeg voor deze onlogische conclusie kunnen behoeden, als zij zich slechts een oogenblikje hadden ingedacht in het mogelijke geval, dat zij zeiven eens geroepen konden worden om met hun eigen verkeerdheden

— want die hebben allen (homines sunt) — voor het front te komen.

Weerzinwekkend in de hoogste mate vind ik het, dat de lintjeszaak tot een groot misdrijf opgeblazen is geworden, met behulp van uitdrukkingen en woorden als: s lands belang, lintjes handel, corruptie, ja, de „halers" deinsden er zelfs niet voor terug, de geschiedenis te vergelijken met de Wilson-affaire. (Troelstra o.a. deed dit in de Tweede Kamer).

En met dit venijnig en onwaar gedoe is bij velen het doel bereikt; want de meesten zijn niet in staat om critisch te lezen. Bij dit soort

Sluiten