Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gegeven, en wat ik hier niet nader behoef aan te duiden, dan zou dit door geen enkelen politieken tegenstander, zelfs niet door hen, die zich nimmer iets te verwijten hadden op moreel gebied (hoe velen ? — of neen: hoe weinigen ?) uitgespeeld hebben mogen worden tegen den oud-minister, tevens leider der tegenpartij. Dat hadden zij, dunkt mij, aan diens partij- en geloofsgenooten moeten overlaten, en zij hadden dit met te meer gerustheid kunnen doen, omdat Kuyper zélf in zijn schitterende rede op Bilderdijk een overeenkomstige kwestie met beleid en waardigheid wist te behandelen en daardoor .... zélf reeds een voorbeeld gesteld had. Aan zijne partij- en geloofsgenooten had het dan gestaan, hem „te vonnissen zonder voorbehoud", of wel „zonder af te laten van hem lief te hebben, te schreien om de woekerplant, die zich om dezen ceder slingerde".

En de anderen ? Zij hadden moeten volstaan met het getuigenis, door S. Gorter omtrent Bilderdijk afgelegd, en ook door Jonckbloed in zijn Gesch. der Ned. Letterkunde met „onverdeelde" instemming onderschreven : „Als sommige dingen onaangenaam om te zeggen, eenmaal kort en moedig gezegd zijn, laat ons ze dan vergeten en er niet meer over spreken". Helaas, tot dat mannelijke standpunt wisten zij zich tot op heden nog niet op te werken !

Zij slaagden daar nóg niet in, toen de groote man zich bereid toonde, in het openbaar „het boetekleed" aan te trekken; ja, het gelukte hun zelfs niet, toen Mr. Tideman met zijn boven reeds behandelde verklaring omtrent de niet ongevaarlijke eigenschappen van mej.W. voor den dag kwam.

Hun haat was te groot, en daardoor werden mannelijk denken en handelen onmogelijk gemaakt.

II. De heer Lehman zond 16 Mei 1904 (dus, na 31 Aug. 1903 zijn dubbel en dwars verdiende ridderorde gekregen te hebben) voor het eerst

geld aan de anti-revolutionnaire partij, èn bleef daar tot op den

huidigen dag mee doorgaan. Dit nu wordt als het gewichtigste gedeelte van de lintjeszaak beschouwd; hierop is zelfs de beschuldiging van lintjes-/zü77üfe/ gebaseerd.

Het begrip „handel" sluit m. i. in zich, dat er (van beide kanten) eene overeenkomst gesloten wordt. Wie in casu het woord „handel" denkt te mogen gebruiken, moet dan ook gegronde redenen hebben om zulk een overeenkomst voor waar, of althans waarschijnlijk te houden. Mijns inziens zou het een komieke, onpractische overeenkomst zijn, om met

een millionair, die gewend is met groote sommen te smijten, af

te spreken: ik zal jou een lintje bezorgen, maar dan moet je mij ieder jaar — het volgend jaar te beginnen — een sommetje sturen voor onze partijkas". Och, och, wat 'n stumperig idee moeten Troelstra, Tideman

Sluiten