Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

II. Hij beweert, dat mijn strijdwijze dezelfde zou zijn, als die hij zoo dikwerf, tot zijn ergernis, bij de socialisten aantrof. Van de socialisten is het bekend (ik bewees het elders), dat zij „hunne tegenstanders machteloos trachten te maken, door hunne beweringen te verdraaien, hunne bestrijding te ontwijken, halve waarheden te debiteeren, die even erg zijn als leugens". Ik zelf heb mij daar nog nimmer aan schuldig gemaakt.

III. Hij beweert, dat ik de sociaal-democratie „inderdaad bevorder", ofschoon ik haar wensch te bestrijden. De redactie van „De Telegraaf" bleek daar onlangs anders over te denken; zij schreef omtrent mijn boek „Het socialistisch gevaar" : „de 2e druk is vermeerderd met het oordeel van verschillende bladen over het boek. Van socialistische zijde krijgt de schrijver heel wat te hooren. Oderint dum metuant, zij mogen mij haten, als zij mij slechts vreezen, zegge de dappere dokter. En dat zij hem vreezen, mag als de hoogste waarschijnlijkheid worden aangenomen".

Het beste bewijs, dat dit oordeel juist is, werd geleverd in „Het Volk" van Maandagavond. Ik werd daar, ten aanschouwe van de alles slikkende „bewusten", aldus afgemaakt: „Het eerste artikel van Dr. Van Dieren bestond nagenoeg geheel uit gemopper tegen den persoon van Mr. Tideman : het tweede artikel uit een slap afkooksel van Dr. Kuyper's Kamer-verklaring; het derde en laatste loopt uitsluitend over de staking van 1903 en Troelstra's rol daarin, natuurlijk vol scheldwoorden en valsche voorstellingen."

De redactie van „Het Volk" meende, met de hier gecursiveerde uitdrukkingen te kunnen volstaan, en toonde zich in haar volle sterkte — neen in haar leege zwakheid ! — toen zij hierop liet volgen : „Jammer, dat Dr. Kuyper geen kans meer heeft om ooit minister te worden; Dr. Van Dieren kreeg anders ook bepaald .... een lintje".

Wie zich zóó van een tegenstander afmaakt (met drie niet geargumenteerde veroordeelingen en één insinuatie), die bewijst .... zwak te staan, die bewijst, dat hij zijn tegenstander vreest.

IV. Dr. Wiedeman blijkt vèèl te verwachten van een triumviraat: Van Houten, Van Eeden en Tideman. Over de eerste twee laat ik mij hier niet uit; ik laat mij niet afleiden ; over No. 3 kent hij thans na mijne dupliek, nóg beter dan tevoren mijn behoorlijk geargumenteerd oordeel.

Wat Mr. Tideman „als student en later" schreef, hoop ik bij gelegenheid te lezen. Het zal echter niet van invloed zijn op mijn oordeel over zijn optreden in de lintjeszaak.

V. Mijn collega durft eindigen met te beweren, dat ik op één lijn sta met hen, die „vuil werpen naar wat hoog staat, beelden verbrijzelen, waarvan de schoonheid boven hun begrip gaat".

Ik heb allèèn kwaad gesproken en bewezen van „Mr. Tideman,

Sluiten