Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nog-bekend veronderstelt, dan zou ik dus moeten beginnen met het begin ! Daartoe gevoel ik geen lust; maar 't lijkt me bovendien niet noodig toe.

We hadden het over de . . . lintjeszaak, en ik toonde aan, dat de heeren Tideman en Troelstra daarin onrecht hadden. De heer Wiedeman nu schijnt het nuttig te vinden, hoe langer hoe verder af te dwalen; in zijn eerste artikel gebruikte hij v. Eeden en v. Houten als „afleiders" ; nu haalt hij er nog meer personen bij: Marat, prof. Hubrecht, Goethe, Molière, Brunetière, de schakers, de kinderartsen, die ten onrechte beweerd hebben, dat een jong kind niet in staat zou zijn zetmeel in suiker om te zetten (dit „onrecht" heb ik trouwens reeds in mijn boek over „Meelvergiftigingen" gehekeld!). Jean Paul, Ostwald, v. Gurlitt, v. Gleichen, Russwurm, Dr. Gunning en de onderwijzers te Amsterdam !

En al dezen omhaal meende hij noodig te hebben om te bewijzen (!) dat ik „de kunst van lezen niet versta" „beneden peil ben gebleven", „niet aan zelfcritiek doe", „ongeschikt ben als leider en raadgever op te treden", „pseudo-wetenschappelijk ben" ! Ja, ten slotte word ik zelfs op één lijn gesteld met „een smid, wiens hersenen 25 jaar aan te hooge temperaturen waren blootgesteld" (deze guitigheid houdt verband met het door Dr. Wiedeman gereleveerde feit, dat ik den 24 Dec. mijn jubileum als arts vierde).

Het zou me gaan duizelen, als ik . . . niet gewoon was voor véél heeter vuren te staan, dan Dr. Wiedeman voor mij oppoken kan !

Het duizelt me dus gelukkig nog niet, en ik ben dan ook nog in staat om te constateeren, dat Dr. Wiedeman over de lintjeszaak, over Tideman en Troelstra (en daar ging het toch om!) nog minder te zeggen heeft dan in zijn eerste artikel, en dat hij dit veelzeggende zwijgen tracht te verbergen door over alles en nog wat te babbelen als Rammelslag.

Succes genoeg, dunkt me.

Oók wil ik nog mededeelen, dat ik het genoegen heb, tal van zéér verstandige smeden te kennen; hunne hersenen zijn dus nog niet verschroeid. Daar staat tegenover, dat ik van tijd tot tijd wel e£ns in botsing kom met een niet-verstandigen dokter; over dit laatste zal Dr. Wiedeman zich allerminst mogen verbazen, want hij zelf blijkt immers reeds lang van meening, dat „de resultaten van ons hooger onderwijs minstens even teleurstellend zijn als die van het lager onderwijs".

Tot slot moet ik mij nog tegen een verdachtmaking verdedigen. Dr. Wiedeman schreef in zijn eerste artikel, dat ik de sociaal-democratie „inderdaad bevorder", ofschoon ik haar wensch te bestrijden. Ik stelde daar toen tegenover, dat de redactie van „De Telegraaf" er anders over denkt; zij toch schreef (naar aanleiding van mijn boek „Het socialistisch gevaar"): .,Oderint dum metuant", zij mogen mij haten als zij mij slechts

Sluiten