Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gehad, dat Hij van dat oogenblik af Abram beschouwde als zulk een', die nooit zonde had gehad of gedaan, en heeft hem tot Zijnen heiligen en rechtvaardigen medegenoot gerekend.

Voorts houdt de Heere eene zonderlinge toespraak tot hem: „Weet gij nu wel, welk eenen God gij aan Mij hebt? Ik ben dezelfde getrouwe God als van ouds, Die u eenmaal uit den dienst der doode afgoden en der doode werken verlost heb. Meent gij, dat Ik het werk Mijner handen zal laten varen? of dat Ik Mijn werk op de helft zou laten steken? Denkt gij, dat Ik u uit uw land zou roepen en u dit land niet zou geven ter bezitting? Zoude God iets spreken en het ook niet doen? Zou Hij tot de erfenis roepen, en de erfenis niet uitdeelen?"

„Ik ben de Heere, Die u uitgeleid heb uit Ur der Chaldeën, om u dit land te geven om dat erfelijk te bezitten."

Dat klinkt nu evenals het woord, dat wij bij Johannes in zijnen Zendbrief lezen: „Ik schrijf u, kinderkens, want de zonden zijn u vergeven om Zijns Naams wil. Ik schrijf u, vaders, want gij hebt Hem gekend, Die van den beginne is." (1 Joh. 1 : 12, 13.)

Eene liefelijke prediking deze prediking van den waarachtigen en alleen trouwen God, bij Wien ook geen schaduw van verandering is! Bij ons de volstrekte onmogelijkheid, de algeheele ongeschiktheid om iets tot stand te brengen, — en dan daarbij de belofte van dien God aangaande het zaad, de belofte van Christus, en dat wij vrucht dragen zullen tot in den grijzen ouderdom! Bij ons een diep gevoel, dat wij menschen zijn, — en juist daarom de prediking: „Christus is hier"! Bij ons de gestadige ervaring, hoe het met ons geheel uit is, — en juist daarom: „God met ons!" Met Zijn Woord en Zijnen Geest is Hij daar. En hebben wij het ondervonden wat het is den Heere te gelooven, dan hebben wij ook met de ooren des Geestes vernomen: „Ik ben de Heere, Die u uitgeleid heb uit Ur der Chaldeën". Want wij gelooven God eerst dan van harte, wanneer bij ons alle deugd, alle werk, alle verdienste, alle bekwaamheid,

Sluiten