Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een berg te verzetten? Geenszins. Wij lezen: „En Hij zeide tot hem: Neem Mij eene driejarige vaars, en eene driejarige geit en eenen driejarigen ram en eene tortelduif, en eene jonge duif". De Heere gaf hem geen uiterlijk teeken, neen, Hij leidde hem tot Zijn verbond, een verbond, dat in bloed gegrondvest was. Zoo handelde God de Heere geheel menschelijk en vorstelijk met hem. Wanneer namelijk de Oosterlingen een zeker stuk land ten eigendom begeerden en van het bezit verzekerd wilden zijn, zoo wendden zij zich tot den vorst van dat land, met het verzoek, hun dit stuk land tot eene bezitting af te staan; dan kwam de vorst met zijne geweldigen, en ging met dien, die het verzoek deed, een verbond aan, dat hij een vriend zijner vrienden en een vijand zijner vijanden wilde zijn, en sprak dan tot hem van vrede; daarbij werd dan brood en zout gegeten; daarom noemde men zulk een verbond een zoutverbond. — Zoo zeide ook de koning Abia: „Staat het u niet toe te weten, dat de Heere, de God Israëls, het koninkrijk over Israël David gegeven heeft tot in eeuwigheid, hem en zijnen zonen, met een zoutverbond?" (2 Kron. 13:5.) — Of er werd vee geslacht, bijv. lammeren; dan werden de lammeren in tweeën verdeeld, de rechterzijde van de geslachte lammeren rechts, en de linkerzijde links. Alsdan ging voorts de heer des verbonds met den aanvrager tusschen deze stukken door, bezwerende hem bij de geslachte en verdeelde stukken, dat hij het gevraagde stuk land tot een eeuwig eigendom zou hebben, onder verzekering van de trouw, de macht en de bescherming van den verbondsheer.

Reeds in dit licht beschouwd, moest het bevel des Heeren voor Abram verblijdend zijn; — maar er lag nog meer in dit bevel. Er lag in dit bevel de allerhoogste nederbuigende liefde Gods; want immers het leidde tot een verbond, dat zoo geheel voor den mensch berekend was, om te kunnen we ten, op welken grond hij van de erfenis was verzekerd. Want het is niet alleen het hooggewichtige, het alle denkbeeld overtreffende der heerlijkheid, welke men hoopt, waardoor

Sluiten