Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het einde zou wezen, niet dat allen even rijk zouden zijn, maar dat allen even arm zouden zijn, stoffelijk en geestelijk arm.

Het socialisme heeft geen oog (en dit is zijn grootste fout) voor het organische, het leven. Het gaat dan ook uit van het historisch materialisme J), de leer, die alles bloot uit stofwisseling verklaren wil, en dit drukt op alles zijn stempel. Het kan daardoor de dingen nooit goed zien. Het is kleurenblind. Want de poging om alles, ook de meest geestelijke verschijnselen als poëzie en godsdienst bv., uit blootstoffelijke factoren te verklaren, moet wel tot de zonderlingste verklaringen leiden. Wie dit doet, moet wel noodwendig het geestelijke naar beneden trekken en in zijn waren aard miskennen.

Het socialisme dan ziet ook de menschelijke gemeenschap, de maatschappij, niet als een organisme, als een levend geheel met allerlei verscheidenheid, waarin elk bijzonder onderdeel zijn door God gewilde plaats heeft, als bv. een grooten boom met zware takken, maar ook dunne takken en takjes (de onderscheidene standen) en tal van onderscheidene bladeren en kleine uitspruitsels, — maar het ziet die gemeenschap als ééne groote, grijze, eentonige algemeenheid, waarin de eene mensch precies „gelijk" is aan de andere, waarin voor de persoonlijkheid, voor het huisgezin, voor de verschillende standen in de maatschappij en voor heel de rijke verscheidenheid van het menschenleven met al zijne onderlinge

eeuw voor de Kerk dan ook geen plaats overblijven". Die rekening van den socialistischen tijdgeest n.1. is „dat alleen arbeid van spieren en hersenen, die aan de stoffelijke wereld en haar productie ten goede komt, mee de hand mag hebben in den buit en den buidel van het stoffelijk goed".

l) Alleen door de bijvoeging „historisch" doet dit stelsel zich modern voor, overigens is het nu, in dezen tijd van meer wijsgeerige bezinning, geantiqueerd. Zie boven bl. 4.

Sluiten