Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

t

ideaal reeds veel beter, teerder, inwendiger verwezenlijkt. Maar toch — ook die Kerk is nog zeer onvolkomen. Het Christelijk geloof ziet daarom uit naar „de nieuwe hemel en de nieuwe a a rd e, waarop gerechtigheid wonen zal", naar den tijd, waarin het zal zijn „ééne kudde en één Herder", wanneer God in dit Zijn Koninkrijk zal zijn „alles in allen".

Doch dat is niet voor dezen tijd. Dat gaat uit boven dezen tijd. Dat is bestemd voor „de toekomende eeuw." Het is juist de groote zonde van allerlei sekten (in de 16de eeuw b.v. van de Wederdoopers), en het is ook de zonde van het hedendaagsche socialisme en anarchisme, dat het de tegenwoordige en de toekomende eeuw vereenzelvigt, dat het, met voorbijzien en loochening van onzen diepen val, reeds nu den hemel op de aarde wil brengen. Wij veroordeelen dergelijke utopieën als geboren uit een val sch idealisme, dat aan den wezenlijken nood van het zondige menschenhart voorbijziet.

Wij verwachten dus naar de Schrift „een nieuwen hemel en een nieuwe aarde", eene „wederoprichting aller dingen"1). In dit opzicht zijn wij volstrekte i d ea 1 i sten. Maar wij trekken ons ideaal dan ook niet naar beneden. Wij doen er niet aan te kort. Wij gaan ons ideaal niet verstoffelijken, zooals feitelijk de socialisten doen, die slechts een materialistisch ideaal najagen. Wij houden vast aan het ideaal, zooals het ons in vollen glans op het einde van het boek der Openbaringen geteekend staat.

Doch intusschen erkennen wij met nuchteren werkelijkheidszin, dat hier beneden in d e z e bedeeling alles nog maar „ten deele," nog maar stukwerk blijft. Evenwel, — ook mèt die erkentenis streven wij er naar om het ideaal naar den wil onzes Gods althans zooveel mogelijk te verwezenlijken op elk terrein des levens, óók dus op maatschappelijk en staatkundig terrein. Een

') Hand. 3:21.

Sluiten