Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Christen wil aan de wet zijns Gods geen oogenblik tekort doen, óók al weet hij, dat „ook de allerheiligsten nog maar een klein beginsel dezer gehoorzaamheid hebben"1). En die wet Gods geldt voor heel het levensterrein, want „de aarde is des Heeren, mitsgaders hare volheid, de wereld en die daarin wonen"2). En die wet luidt: „Weest dan gijlieden volmaakt, gelijk uw Vader, die in de hemelen is, volmaakt is" 3). En nu ziet de Christen die wet vervuld in Christus, wiens gerechtigheid hem wordt toegerekend, maar hij weet zich ook „in Hem volmaakt" 4), d. w. z. toegerust met al die krachten, die hij behoeft in den strijd des levens op elk terrein ter vervulling van de wet zijns Gods.

Een Christen is dus tegelijk realist èn idealist. Want hij erkent de zonde in al haren omvang, maar hij houdt ook hoog de wet zijns Gods. En dit maakte hem zoo bij uitnemendheid praktisch èn voor het tegenwoordige èn voor het toekomende leven, zooals de apostel Paulus treffend zegt: „De godzaligheid is tot alle dingen nut, hebbende de belofte des tegenwoordigen en des toekomenden levens."

Een Christen namelijk houdt het ideaal ongerept en ziet daarom over dezen tijd heen in de eeuwigheid. Hij gaat door deze wereld met eeuwigheidsgedachten in het hart. Maar hij laat ook tegelijkertijd dat ideaal ingaan in de volle werkelijkheid, zoodat het reeds hier als een zuurdeesem werkt op elk terrein.

Om de tegenstelling tusschen socialisme en Christendom duidelijk te doen uitkomen kan men zeggen: Het socialisme wil alles brengen tot den Staat, alles trekken binnen de sfeer van dit tijdelijke leven, wil dus alles beheerschen door dwan g, want de

') Catech. Vr. 114.

2) Ps. 24:1.

>) Matt. 5 : 48.

4) Col. 2: 10. Vg. 2 Tim. 3:17.

Sluiten