Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

breeden zin willen toekennen in de leiding van heel het volksleven, zij het dan ook een leiding in vrijheid, waarbij de persoonlijkheid wordt geëerbiedigd, — zij zullen de roeping ook voor de overheid als „dienaresse Gods" handhaven om zoo noodig in te g r ij p e n, waar het maatschappelijke leven, tengevolge van de zonde, scheef groeide, en de ideale, normale, Christelijke ordeningen hoog te houden, ook door sociaalrechtvaardige wetten, tegenover eene abnormale werkelijkheid.

Hierin liggen uit den aard der zaak gewichtige gevolgen voor heel het practische leven, b.v. ten opzichte van verzekeringsplicht voor ziekte, invaliditeit en ouderdom in bepaalde bedrijven en al wat daarmede samenhangtJ). Het leven zelf plaatst ons onder leiding van Gods voorzienigheid voor deze vragen en dan geeft God bij biddend onderzoek van de H. Schrift en bij ernstig acht geven op den gang der historie er ook wel het antwoord op, al wordt dit antwoord (evenals dit op het gebied der dogmengeschiedenis is gezien) vaak pas na veel worsteling gevonden.

Doch dit moet in elk geval vaststaan, als onmiddellijk voortvloeiende uit het Christelijk beginsel, dat wij de maat-

') Wij bedoelen natuurlijk niet, dat verzekerings dwang (wij spreken liever van plicht) rechtstreeks uit het Christelijk beginsel, dat de maatschappij als organisme ziet, voortvloeit. Als het zonder dwang kan, of ook als men van dwang langzamerhand tot vrijheid kan opleiden, is dit natuurlijk beter. Doch wel beweren wij, dat uit het Christelijk beginsel niets tegen dwang valt af te leiden, maar dat het, bij gebleken noodzakelijkheid van wege „de hardigheid der harten", integendeel voor dwang pleit (Vg. ook tal van Mozaïsche wetten, welker beginsel normatief is). Tegenover een egoïstisch kapitalisme geldt ook hierhet:„Dwingtze om in te gaan". Calvijn onderscheidde terecht drieërlei gebruik van de wet, nl. niet alleen tot kennis der zonde en als richtsnoer voor het leven der geloovigen, maar ook tot uitwendige beteugeling der zonde. Dit laatste te ontkennen zou Antinomiaansch zijn.

Sluiten