Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de gerechtigheid met de ongerechtigheid? en wat gemeenschap heeft het licht met de duisternis? En wat samenstemming heeft Christus met Belial? of wat deel heeft de geloovige met den ongeloovige? Of wat samenvoeging heeft de tempel Gods met de afgoden? Want gij zijt de tempel des levenden Gods; gelijkerwijs God gezegd heeft: Ik zal in hen wonen, en Ik zal onder hen wandelen; en Ik zal hun God zijn, en zij zullen Mij een volk zijn. Daarom gaat uit het midden van hen, en scheidt u af, zegt de Heere, en raakt niet aan hetgeen onrein is, en Ik zal ulieden aannemen; en Ik zal u tot een Vader zijn; en gij zult Mij tot zonen en dochteren zijn, zegt de Heere, de Almachtige.

Nu zeide dr. L. H. Wagenaar in zijn „Het „Reveil" en de „Afscheiding"", bladz. 257, in dien tijd van deze plaats: „eene waarschuwing, om niet aan de heidensche offermaaltijden en feesten deel te nemen." Erkend moet worden, dat de uitdrukkingen die gebezigd worden, hieraan doen denken. Maar er ligt voor een eenigszins verstandig Bijbellezer méér in. Want zóó weinig diepgang heeft het Woord van God niet, dat het alleen iets zou inhouden voor den tijd waarop het direct doelt. Want zoo zou men zeer zeker een zeer groot gedeelte der H. Schrift voor óns in dezen tijd van kracht kunnen berooven. En allerminst geldt dit van een plaats als deze.

„Trekt niet een ander juk aan met de ongeloovigen." Natuurlijk wordt hier in elk geval in de eerste plaats gezien op de afgodendienaars. Dat waren immers de ongeloovigen van die dagen. Maar terstond mogen en moeten wij hierbij voegen: ook niet met de ongeloovigen van ónzen tijd. Schaart u niet mede, nu kerkelijk, onder hun juk, de Kerk mèt hen mede helpende bouwen en regeeren in de richting van hun leervrijheid.

Doch waar ik eigenlijk op wilde komen, is wat dan volgt, is hetgeen men zou kunnen noemen de considerans: „Want wat mededeel heeft de gerechtigheid met de ongerechtigheid? Wat gemeenschap heeft het licht met de duisternis?" En verder: „En wat samenstemming heeft Christus met Belial? of wat deel heeft de geloovige met den ongeloovige?" Paulus wil zeggen: deze twee soorten van menschen, zóó innerlijk van elkander onderscheiden, kunt gij niet bij elkander brengen of houden. Daartoe is toch immers noodig, dat zij eenigszins bij elkander komen, een zekere eenheid hebben, een zeker elkander kunnen verstaan. Doch Iaat ons verder lezen: „Of wat samenvoeging heeft de tempel Gods met de afgoden?" Of kunnen wij hebben alleen houten en steenen afgoden? Mogen wij in de fondamenten der

Sluiten