Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Kerk, waarnaar die Kerk gebouwd wordt, stelselmatig plaats geven voor de stem der afgoden, voor den dienst n.1. van de goden dezer eeuw? Mogen wij, vanwege de Kerk des Heeren — is het geen lastering! — de poort stelselmatig openzetten dat een ieder zijn leer er kunne brengen? Waar is hier de Kerk des Heeren nog? Niet in het uitwendig lichaam, hetwelk Christus aan Belial, den tempel Gods aan de afgoden huwt. „Want gij zijt — gij, volk Gods — de tempel des levenden Gods". „Daarom gaat uit het midden van hen, en scheidt u af, zegt de Heere, en raakt niet aan hetgeen onrein is." Zóó ver moet dus de gemeenschap met anderer zonden en ongerechtigheden gemeden, ontvloden worden, 1 Tim. 5:22, Ef. 5:11: „En lk zal u aannemen, en Ik zal u tot een Vader zijn, en gij zult Mij tot zonen en dochteren zijn, zegt de Heere, de Almachtige."

Ziehier dus dat het beginsel der afscheiding Bijbelsch is, maar niet het beginsel der leervrijheid, dat zegt: wèl gemeenschap èn samenhuwing van Christus en Belial, van den tempel Gods en de afgoden.

Maar nu zou men willen zeggen, dat dit Woord Gods zijn zeggenschap op ons verloren heeft, als de ambtsdragers die het zouden moeten toepassen, dit niet doen, ontrouw zijn dus. Dan moeten de leden der Kerk óók maar ontrouw zijn. Neen, zegt men: dat gebod der wettige en noodzakelijke afscheiding moet uitgevoerd worden door de ambtsdragers op zijn tijd. De leden mogen de ambtsdragers de leiding niet uit handen nemen. In niet een van de plaatsen echter die wij aanhaalden, wordt het gebod der afscheiding gericht tot de ambtsdragers alleen; en nergens, behalve in Matth. 16. Tot de gemeente, tot de broeders, wordt het gericht. Maar natuurlijk ziet de gemeente op haar ambtsdragers, en verwacht van hèn, dat zij als de door den Heere gegeven organen haar leiden op de rechte sporen. Maar het is mede voor haar rekening, zoodat bij ontrouw der ambtsdragers, zij er niet mede af zijn, maar de droevige deformatie der Kerk mede voor haar rekening komt. Als de ambtsdragers de leden niet op dien weg leiden, dan hebben zij zich ten slotte van de verdervers van de Kerk af te scheiden, doch natuurlijk eerst na de ambtsdragers tot getrouwheid opgeroepen te hebben. „En de Heere zal u aannemen," vers 17.

„Deformatie der Kerk", zeggen wij. Zeker, wij zeggen niet, dat in het lichaam der Herv. Kerk op alle plaatsen de Kerk in zichtbaren-institutairen zin, weg is. Immers het is bekend genoeg

2

Sluiten